Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Kaspische plevier
Kaspische plevier | Anarhynchus asiaticus
Caspian plover | Chorlito asiático
Een slanke, langvleugelige plevier van de droge steppe rond de Kaspische Zee, die in West-Europa hooguit eens in de vijf jaar tussen goudplevieren op een kwelder of een kale akker staat. Het mannetje in prachtkleed draagt een brede kastanjebruine borstband met een dunne zwarte onderrand.
Geluid
Een kort, scherp tjip, meestal in vlucht gegeven, en soms een wat gerekter tjoe-iet. Op de broedplaats klinkt een zacht, ratelend baltsgeluid dat nauwelijks draagt. Dwaalgasten in Noordwest-Europa zijn in de praktijk zwijgzaam, zodat geluid bij de determinatie zelden meehelpt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets groter dan een bontbekplevier, maar duidelijk slanker, langpotiger en langvleugeliger, met een lange handpenprojectie voorbij de staart. De snavel is kort, dun en zwart, de kop rond met een steil voorhoofd. Mannetje in prachtkleed: wit gezicht en witte keel, brede witte wenkbrauw, donkere oogstreep en grijsbruine kruin, en een brede kastanjebruine borstband die onderaan door een smalle zwarte rand scherp van de witte buik wordt gescheiden. Vrouwtjes en vogels in winterkleed hebben een grijsbruine borstband zonder rood. Poten geelbruin tot vuil okergeel.
Verwarringssoorten
Het echte probleem is de steppeplevier. Die is groter en langer van poot, staat rechter op, heeft een langere hals en een bijna geheel witte, meeuwachtige kop zonder donkere oogstreep, en de zwarte onderrand van zijn borstband is breed in plaats van dun. De snavel van de kaspische plevier is korter en fijner, de poten geelbruin, bij de steppeplevier langer en bleker okergeel tot vleeskleurig. In vlucht is de ondervleugel doorslaggevend: bij de kaspische plevier licht met witte oksels, bij de steppeplevier egaal donkerbruin. De vleugelstreep is bij de kaspische plevier smal maar zichtbaar, vooral over de handpennen, en bij de steppeplevier vrijwel afwezig; wit in de staartzijden ontbreekt bij beide. Tegenover de woestijnplevier vallen de fijne korte snavel, de gele in plaats van groengrijze poten en de veel smallere vleugelstreep op. Snavelvorm en pootkleur zijn alleen te beoordelen bij een rustende vogel op korte afstand met goed licht; oksels en vleugelstreep vergen dat de vogel opvliegt, en juist dat gebeurt bij een dwaalgast in een groep goudplevieren maar eenmaal.
Leefgebied
Broedt op droge, kale steppe en kleiige halfwoestijn met alsemvegetatie rond de Kaspische Zee, meestal op enkele kilometers van het dichtstbijzijnde drinkwater. Overwintert in droge graslanden, uitgedroogde overstromingsvlakten, kustduinen en akkerland in Oost- en Zuidelijk Afrika. In Europa zoeken dwaalgasten hetzelfde soort terrein: kwelders, kort afgegraasd weiland, geploegde akkers en droogvallende zilte vlakten, vrijwel nooit de waterlijn zelf.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Zuid-Rusland, Kazachstan, Oezbekistan, Turkmenistan en delen van Iran en Afghanistan, met een trekbaan die dwars over Arabië en de Rode Zee naar Oost-Afrika loopt en zuidelijk tot de Zambezi reikt. Naar West-Europa is de soort een uiterst zeldzame dwaalgast. Nederland heeft enkele aanvaarde gevallen, op Texel, in Zeeland en in Groningen, waarvan een deel in het holst van de winter; Groot-Brittannië en Spanje hebben even korte lijstjes, met gevallen dun verspreid over meer dan een eeuw.
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De kans ligt in het najaar en de vroege winter bij het systematisch nalopen van grote groepen goudplevieren en kieviten op kale akkers en kwelders, vooral in Zeeland, op de Wadden en in het noorden van Groningen. Zoek een slanke, hoogpotige plevier die zich aan de rand van de groep houdt en met korte spurtjes foerageert. Wie de soort zeker wil zien, gaat in mei naar de Taukum-steppe in Zuidoost-Kazachstan, waar broedparen langs de zandwegen staan.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de broedgebieden staan onder druk door het omzetten van steppe in akkerland, door overbegrazing rond drinkplaatsen en door het droogvallen van zoutmeren in Centraal-Azië. De soort trekt in een smalle baan en concentreert zich onderweg op weinig plaatsen, wat haar gevoelig maakt voor veranderend landgebruik langs de Rode Zee. Alle betrokken plevieren, van de kaspische tot de woestijn- en steppeplevier, worden sinds 2023 in het geslacht Anarhynchus geplaatst in plaats van in Charadrius; oudere gidsen voeren deze soort nog als Charadrius asiaticus.
Wetenschappelijke naam
Anarhynchus asiaticus | (Pallas, 1773) (GBIF: Charadrius asiaticus)
Pallas beschreef de soort in 1773 als Charadrius asiaticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. asiaticus is Latijn voor 'Aziatisch', naar de broedgebieden in de steppen van Centraal-Azië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de zoutmeren van de Centraal-Aziatische steppe.




