Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Afrikaanse oehoe

Afrikaanse oehoe | Bubo africanus

Spotted Eagle-Owl | Búho Africano

De Afrikaanse oehoe is de meest algemene grote uil van zuidelijk Afrika: een grijsbruine oehoe met gele ogen, lange oorpluimen en een fijn gebandeerde onderzijde. Hij komt voor van savanne en rotsige heuvels tot in de tuinen en parken van grote steden.

Afrikaanse oehoe (Bubo africanus)
Foto: Danelle Murray — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, hol hoeten: het mannetje roept tweeledig, hoo-hoo, het vrouwtje antwoordt met drie tonen, hoo-hoo-hoo, waarbij de middelste hoger is. Paren roepen vaak in duet. Bij verstoring een snavelklappen en een sissend geblaas; jongen bedelen met een schor gesis.

Luister: RoepXC1179384

Opname: Charles Hopkins — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

43–50 cm. Bovendelen grijsbruin met witte en donkere vlekjes; op de schouder een rij witte vlekken. De onderzijde is wit tot lichtgrijs, fijn en regelmatig grijsbruin gebandeerd, met wat donkere vlekken op de bovenborst. De gezichtssluier is lichtgrijs met een zwarte rand; de ogen zijn geel. De oorpluimen zijn lang en worden vaak rechtop gedragen. Er komt een zeldzamere, rossige vorm voor met warmer bruine tekening en soms oranjegele ogen. Het vrouwtje is groter dan het mannetje.

Verwarrings­soorten

De Kaapse oehoe Bubo capensis is groter en forser, met oranje ogen, grove donkere vlekken op de borst en grovere bandering op de buik; hij is gebonden aan bergen en kloven. Verreauxs oehoe Ketupa lactea is veel groter en bleker grijs, met donkerbruine ogen en roze oogleden. De Afrikaanse velduil Asio capensis is kleiner, egaal donkerbruin en heeft donkere ogen en korte oorpluimen.

Leefgebied

Vrijwel alle open en halfopen habitats met enige beschutting: savanne, doornveld, rotsige heuvels en kloven, Karoo, bosranden en landbouwgebied, ook tuinen, parken en industrieterreinen in steden. Mijdt alleen gesloten bos. Het voedsel is zeer gevarieerd: grote insecten, knaagdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Broedt op de grond tussen rotsen, in een boomholte, een oud nest of op een gebouw of bloembak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied verspreid, van de Kaap tot Angola, Zambia en Malawi, met inbegrip van Lesotho, Eswatini en de Namib-rand; schaarser in de dichte bossen van het noorden en het oosten. Buiten het gebied noordwaarts tot Kenia, Oeganda en het zuiden van Congo-Kinshasa en Gabon.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een nachtelijke rit over een onverharde weg levert vaak een oehoe op die op het wegdek of op een paal zit. In steden als Johannesburg en Pretoria nestelt hij op gebouwen en in bloembakken, en zit hij 's avonds op daken en lantaarnpalen. Het duet is het hele jaar te horen, het meest in de winter en het vroege voorjaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, algemeen en goed aangepast aan de mens. Veel vogels komen om in het verkeer, door aanvaringen met draden en hekken en door vergiftiging met rattengif; in sommige streken worden ze ook vervolgd op grond van bijgeloof.

Wetenschappelijke naam

Bubo africanus | (Temminck, 1821)

Temminck beschreef de soort in 1821 als Strix africana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bubo werd in 1805 ingevoerd door Duméril. Bubo is het Latijnse woord voor de oehoe. africanus is Latijn voor 'Afrikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.