Werner VorstmanInstrumenten om de Schrift nauwkeurig te lezen
Instrument IX

De Jaren

Wanneer Yeshua (Jezus) leefde, staat nergens als jaartal opgeschreven. Maar de mannen om hem heen zijn wél gedateerd — door munten, inscripties, Josephus en Romeinse administratie — en hun regeringen klemmen zijn leven van vier kanten tegelijk in. Zet die tijdvakken op één as en je hoeft de vraag niet op gezag te beantwoorden; je kunt hem aflezen.

De vier zijden

Het venster waarin het leven van Yeshua moet passen, wordt niet door één tekst bepaald maar door vier grenzen die elkaar snijden.

Herodes moet nog leven. Mattheüs plaatst de geboorte in zijn dagen (Mattheüs 2:1) en laat hem daarna sterven (Mattheüs 2:19). Josephus dateert die dood na een maansverduistering en vóór een Pascha, wat de meesten lezen als het voorjaar van 4 v.Chr. Dat is dus de láátste mogelijkheid voor de geboorte, niet de vroegste.

Tiberius geeft het enige jaartal. Lukas laat de prediking beginnen in zijn vijftiende jaar (Lukas 3:1) — de enige plaats in de evangeliën waar een gebeurtenis wordt vastgemaakt aan een regering die de wereld daarbuiten ook telt. Geteld vanaf zijn troonsbestijging in augustus 14 komt dat op 28 of 29 n.Chr. uit, al naar gelang je het deeljaar meetelt.

Yeshua is dan ongeveer dertig (Lukas 3:23). Reken je van 29 n.Chr. dertig jaar terug, dan land je rond 2 v.Chr. — en dat botst met Herodes. Neem je ongeveer serieus, dan past een geboorte in 6 tot 4 v.Chr. met een leeftijd van drieëndertig of vier­endertig, en dan sluit het wel.

Pilatus is de buitengrens aan de andere kant. Zijn tien ambtsjaren lopen van 26 tot 36 n.Chr., en de kruisiging valt daarbinnen. Dat is de vastste grens die er is: van Pilatus hebben we niet alleen Josephus maar ook een steen met zijn naam erop, in 1961 in Caesarea gevonden.

De grafiek tekent die vier, plus de viervorsten en de hogepriesters die Lukas in dezelfde adem noemt. Klik op een balk en je ziet waaróp het tijdvak berust en waar het het verhaal raakt.

Wat de grafiek met opzet niet doet

Zij geeft de geboorte geen datum. Er staat een venster van ongeveer twee jaar, want dat is wat het bewijs oplevert. Een streep op één jaar zou meer zekerheid suggereren dan er is.

Zij kiest niet tussen 30 en 33 n.Chr. Beide jaren voldoen aan elke voorwaarde: allebei binnen Pilatus, allebei ná het vijftiende van Tiberius, en op deze kalender valt Pascha in allebei op een woensdag. Ze staan er allebei, zoals ook op de tijdlijn.

Op deze kalender kloppen de weekdagen in drie jaren: 27, 30 en 33. Het eerste valt af, want 27 ligt vóór het vijftiende jaar van Tiberius, en dan is er nog geen prediking geweest. De kruisigingsweek laat het daarom ook weg: wat daar eerst een historische afweging heette, is op deze as een grens.

En eerlijk is eerlijk: makkelijk liggen 30 en 33 geen van beide. Johannes noemt drie Pascha’s — Johannes 2:13, Johannes 6:4 en Johannes 11:55 — en valt de kruisiging op de derde, dan liggen de andere twee één en twee jaar eerder. Voor 30 moet het eerste dus in 28 vallen, en dat kan alleen bij de vroegste lezing van het vijftiende jaar én met de doop meteen aan het begin daarvan. Voor 33 moet het eerste in 31 vallen, twee jaar ná het vijftiende jaar, en dan moeten er Pascha’s zijn die Johannes niet noemt. Dat laatste is geen bezwaar — hij zegt nergens dat hij ze alle noemt, en wie het naamloze feest van Johannes 5:1 ook als Pascha leest telt er vier — maar drie genoemde Pascha’s geven een ondergrens, geen bovengrens. Precies dáárom kiest de grafiek niet.

Twee tijdvakken zijn gearceerd, en dat betekent dat het bewijs meer dan één jaar toelaat. Bij Herodes gaat het om de lezing van Josephus — 4 v.Chr. of 1 v.Chr., en dat verschuift de hele geboorte mee. Bij Filippus om een verschil tussen de handschriften: het Grieks zegt het twintigste jaar van Tiberius, veel Latijnse afschriften het tweeëntwintigste, en dat is 33 of 34 n.Chr.

In welk seizoen werd hij geboren?

De tekst noemt geen dag en geen maand. Maar er zijn twee ketens die het seizoen proberen te berekenen, en het merkwaardige is dat ze allebei op hetzelfde woord uit Johannes steunen — en er de tegenovergestelde kant mee op gaan.

En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond ( en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 1:14

Gewoond is in het Grieks ἐσκήνωσεν, van σκηνή, een tent. Letterlijk: hij heeft onder ons getent, getabernakeld. Dat woord roept een tabernakel op — maar welke?

De eerste keten: het najaar

Deze loopt via de priesterbeurten en is de gangbaarste.

Zacharias diende in de afdeling van Abia (Lukas 1:5, Lukas 1:8), en 1 Kronieken 24:10 nummert die als de achtste van de vierentwintig. De afdelingen dienden elk een week, en op de drie feesten dienden ze allemaal. Geteld vanaf Nisan, met die feestweken erbij, komt de achtste beurt rond de tiende week uit — ergens in Sivan, ons mei of juni.

Elizabeth wordt kort daarna zwanger (Lukas 1:24), en zes maanden later wordt Maria dat (Lukas 1:26, Lukas 1:36). Tel negen maanden verder en de geboorte komt rond Tisjri uit — de maand van het Loofhuttenfeest. Vandaar de lezing van Johannes 1:14: hij tabernakelde onder ons, in de week dat Israël in loofhutten woonde.

De tweede keten: het voorjaar

Deze leest hetzelfde woord naar een andere tabernakel.

En het geschiedde in de eerste maand, in het tweede jaar, op den eersten der maand, dat de tabernakel opgericht werd. Exodus 40:17

De tabernakel werd opgericht op de eerste dag van de eerste maand. Wie ἐσκήνωσεν daarheen leest, komt niet op Loofhutten uit maar op Nisan — en dan krijgt het beeld een andere spits: niet de hut van de woestijnreis, maar de tent die op de eerste dag van het jaar werd opgezet en waarin de heerlijkheid kwam wonen. Johannes zet in dezelfde zin wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, en dat is precies wat er in Exodus 40 gebeurt zodra de tabernakel staat.

Daar komt het veld bij:

En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. Lukas 2:8

Nachtwacht houden bij de kudde is werk van het lamseizoen, en dat is het voorjaar. De kudden bij Bethlehem worden bovendien in verband gebracht met de lammeren voor de tempel. Een geboorte in Nisan zet het lam dus in de maand van het lam.

Wat geen van beide ketens draagt

Ik zet ze naast elkaar en kies niet, en dat is geen beleefdheid maar noodzaak — op drie plaatsen zit lucht.

De priesterbeurten. De tekst zegt niet in welk jáár Zacharias diende, en ook niet of de cyclus van vierentwintig aan het begin van elk jaar opnieuw begon of gewoon doorliep. Twee redelijke aannames geven twee verschillende maanden, en de hele eerste keten hangt aan die ene aanname.

Het woord zelf. ἐσκήνωσεν betekent tenten of wonen. Het noemt geen feest en geen maand. Beide lezingen leveren het feest zélf aan; het woord bevestigt alleen wat je er al bij dacht.

De herders. Dat zij 's nachts buiten waren, pleit sterker tegen december dan vóór een bepaald seizoen. In Judea kunnen kudden een groot deel van het jaar buiten blijven, en het lamseizoen is een argument voor het voorjaar, geen bewijs.

Wat wel overeind blijft: het seizoen is niet december, en beide ketens komen uit op een moment dat aan een gezette tijd raakt. Welke van de twee, laat de tekst open.

Het aangename jaar des Heeren

Er is nog een plaats waar een gezette tijd de datering raakt, en die gaat niet over de geboorte maar over het begin van de prediking. In Nazareth staat hij op om te lezen, krijgt de boekrol van Jesaja, en leest:

Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren. Lukas 4:19

Dan rolt hij het boek dicht en zegt: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld (Lukas 4:21).

Twee dingen zijn hier aan te wijzen zonder dat je iets hoeft aan te nemen.

Hij houdt op halverwege de zin. Jesaja 61:2 luidt voluit: Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, en den dag der wraak onzes Gods. De tweede helft leest hij niet.

Wat hij wél leest, is de taal van Leviticus 25. Vrijheid uitroepen voor gevangenen is daar geen beeldspraak maar een instelling, en die instelling heeft een dag:

Daarna zult gij in de zevende maand, op den tienden der maand, de bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw ganse land. En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult wederkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult wederkeren een ieder tot zijn geslacht. Leviticus 25:9-10

Het jubeljaar begint dus niet bij het begin van het jaar maar wordt op de Grote Verzoendag met de bazuin uitgeroepen — op deze site een hoge sabbat, de tiende van de zevende maand. Wie Lukas 4 als die afkondiging leest, leest er daarmee ook een dag bij.

Dat zou twee dingen opleveren. Een seizoen: het najaar, de zevende maand. En een plaats in de telling: dan zou de prediking niet alleen tussen de regeringen liggen maar ook in de sabbats- en jubeljaartelling staan, en dat is een heel ander soort houvast dan een munt.

Waarom er geen streep voor staat

De tekst zegt sabbat, niet Verzoendag. Lukas 4:16 zegt dat hij naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge kwam. De Grote Verzoendag is een sabbat — Leviticus 23:32 noemt hem zo — dus het kán die dag geweest zijn, maar Lukas noemt de dag niet.

De tekst zegt jubeljaar niet. Hij leest Jesaja, en Jesaja zegt het jaar van het welbehagen. Dat de woorden over vrijheid uitroepen uit Leviticus 25 komen, is een sterke echo, maar het blijft een echo; Lukas trekt de conclusie niet met zoveel woorden.

De telling zelf ligt niet vast. Sabbatsjaren zijn ook buiten de Bijbel bevestigd — 1 Makkabeeën, Josephus, en schuldbrieven uit de woestijn van Juda — maar de geleerden verschillen een jaar over waar de reeks precies valt, en over het jubeljaar meer dan dat: negenenveertig jaar of vijftig, en of de telling na de ballingschap ononderbroken is doorgelopen. Uit een jubeljaar valt dus geen jaartal te halen, en wat een instrument niet weet, hoort het niet te tekenen.

Wat er wel bij staat: klik je op De prediking in de grafiek, dan staat Lukas 4:19 tussen de teksten en staat dit voorbehoud erbij.

En één ding is het niet: het is geen tweede getuige voor een geboorte in het najaar. Het gaat over een andere gebeurtenis — het begin van de prediking, een jaar of dertig later — en twee losse aanrakingen met de zevende maand vormen samen geen keten.

Waar de getallen vandaan komen

De regeringsjaren volgen de gangbare wetenschap: Josephus voor de Herodianen en de hogepriesters, Romeinse bronnen voor Augustus en Tiberius, de inscriptie van Caesarea voor Pilatus, en de munten van Antipas en Filippus voor hun duur. Waar de bronnen elkaar tegenspreken staat dat bij de balk, en dan is de balk gearceerd.

Vier sterfjaren die je vaak tegenkomt heb ik met opzet níet getekend. Dat Pilatus rond 39 zou zijn gestorven komt uit latere kerkelijke overlevering en niet uit een bron van zijn tijd; hetzelfde geldt voor Kajafas rond 46 en Annas rond 40. Het ossuarium met de naam Kajafas dateert zijn dood niet. Wat een instrument niet weet, hoort het niet te tekenen.

De week van de kruisiging, voor de dagen zelf →  ·  De Tijdlijn, voor de eeuwen eromheen →  ·  Gebruikte teksten en datasets →