Alle soortenSpechtachtigenSpechten › Drieteenspecht

Drieteenspecht | Picoides tridactylus

Eurasian three-toed woodpecker | Pico tridáctilo

De enige Europese specht zonder een spoor rood in het kleed, en de meest gebonden aan oude naaldbossen vol staand dood hout. Waar schorskevers een sparrenperceel aantasten of een brand een berghelling zwart heeft achtergelaten, kan hij binnen enkele jaren van zeldzaam naar talrijk gaan — en weer verdwijnen zodra het dode hout op is.

Drieteenspecht (Picoides tridactylus)
Foto: Andrey Gulivanov — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zachter en doffer dan je van een specht verwacht: een kort kjuk, minder scherp en minder ver dragend dan het kik van de grote bonte specht, bij opwinding aaneengeregen tot een lage ratel. De roffel is het betere kenmerk. Hij duurt ruim een seconde — gemiddeld zo'n 1,3 seconde met een twintigtal slagen — versnelt licht en sterft aan het eind uit: duidelijk langer dan de korte, droge roffel van de grote bonte specht en veel korter dan het trage dreunen van de zwarte specht. Beide geslachten roffelen, van maart tot in mei.

Luister: Roep bij het nestWikimedia Commons

Opname: Alexander Kürthy — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Iets kleiner en slanker dan de grote bonte specht, met een lange, vlakke kop en een zware snavel. Zwart-wit, en nergens rood: het mannetje draagt een goudgele kruin, het vrouwtje een zwart met wit gespikkelde. Over het midden van de rug loopt een witte baan van de nek tot de stuit, en de flanken zijn dwars zwart-wit gebandeerd, zodat de onderdelen nooit schoon wit ogen. Het donkere gezicht wordt doorsneden door een witte wenkbrauwstreep en een witte baardstreep. Aan elke voet staan drie tenen in plaats van vier; door de telescoop is dat op korte afstand werkelijk te zien. Vogels van de Alpen en de Karpaten hebben een donkerder, sterker gebandeerde rug dan die van Scandinavië, waar de witte baan het breedst is.

Verwarrings­soorten

Het snelst gaat het door uitsluiting: geen andere Europese specht mist het rood volledig, dus een zwart-witte specht zonder rood aan kruin, nek of onderstaart is er deze. De grote bonte specht heeft twee grote witte schouderovalen in plaats van een witte rugbaan, ongestreepte witte onderdelen en scharlaken onder de staart. De witrugspecht heeft óók wit op de onderrug, maar is groter en langsnavelig, met een rode kruin bij het mannetje, roze onder de staart en lengtestrepen op de flanken in plaats van dwarsbanden. De zwarte specht deelt hetzelfde oude sparrenbos en dezelfde dode stammen, maar is kraaigroot en geheel zwart, en verwarring is door het formaat uitgesloten. Blijft er twijfel, kijk dan naar het gezicht: het donkere masker met twee scherpe witte strepen heeft geen andere specht.

Leefgebied

Oud, ijl naaldbos met veel staand dood hout, en het liefst sparrenbos; ruwweg een twintigste van de opstand moet uit dood hout bestaan, anders houdt hij het niet vol. In Scandinavië en Rusland gaat het om oude taiga en om natte veenbossen met kwijnende sparren, in de Alpen en de Karpaten om berghellingen tussen ongeveer 1200 en 1800 meter. Hij werkt traag en stil: grote gaten hakt hij zelden, hij wipt met korte tikken de schors van stervende stammen om larven van schorskevers en boktorren te bereiken. Daarnaast ringt hij bomen — rijen kleine putjes op één hoogte rond de stam, waaruit hij van het voorjaar tot in september sap likt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

De boreale naaldbosgordel van Noorwegen, Zweden en Finland oostwaarts door Rusland tot Kamtsjatka, Japan en Korea, met zuidelijke bergeilanden in de Alpen, de Karpaten, de Dinarische bergen en de Rodopen, en met laaggelegen bolwerken in oerbossen als Białowieża. Nederland en België liggen ver buiten dat gebied; hij komt hier niet voor, ook niet in de winter. Standvogel, al zakken bergvogels bij strenge kou wat lager en zwerven noordelijke vogels als de larvenvoorraad opraakt. De Amerikaanse drieteenspecht wordt sinds 2003 als aparte soort behandeld, zodat het areaal van onze vogel bij de Beringstraat ophoudt.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in mei en juni in oud sparrenbos, en zoek eerst het dode hout: een stormvlakte, een door schorskevers aangetast perceel of een brandvlakte van een paar jaar oud. Loop langzaam en luister naar zacht getik in plaats van naar geroep; vaak verraadt neerdwarrelende schors de vogel eerder dan hij zelf. Vind je een stam met horizontale rijen kleine putjes, dan zit je in het goede territorium — dat zijn zijn ringen. Betrouwbare streken zijn de Zweedse en Finse taiga, de Beierse en Oostenrijkse Alpen, het Boheemse Woud, de Poolse en Slowaakse Karpaten en Białowieża.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in de Europese Unie op lange termijn eerder toe- dan afnemend, maar de aantallen schommelen sterk met het aanbod van dood hout. In Scandinavië zijn ze sinds de jaren zeventig teruggelopen door intensieve houtoogst; in Frankrijk, aan de westrand van het areaal, staat de soort als ernstig bedreigd te boek. Alles hangt aan oude sparren die mogen blijven staan: het opruimen van windworp en van door schorskevers gedode bomen haalt in één seizoen de hele voedselvoorraad weg.