Alle soorten › Zangvogels › Diksnavelmezen › Grijskeeldiksnavelmees
Grijskeeldiksnavelmees | Suthora alphonsiana
Ashy-throated parrotbill | Picoloro gorjigrís
Een piepklein rietvogeltje uit de bergen van Zuidwest-China dat sinds 1995 in de moerassen bij Varese leeft. Het is de enige diksnavelmees die zich in Europa zelfstandig in stand houdt, en tegelijk een van de lastigst te benoemen vogels van het werelddeel: hij deelt zijn Italiaanse rietkragen met een tweede soort waar hij bijna niet van te scheiden is.
Geluid
Zelden één vogel, bijna altijd een groep, en het geluid van die groep is het herkenningsteken: een druk, hoog, wat blikkerig gekwetter dat door de rietkraag mee opschuift. De contactroep is een kort tsjip of tsjie-tsjip, in snelle series en van alle kanten tegelijk; daartussen klinkt een nasaal, ratelend tsjrrrit, laag en droog, dat het meest op het rammelen van een klein doosje lijkt. Echte zang is er nauwelijks — hooguit een ijl zinnetje van drie tot vijf dunne, licht dalende tonen. Het hele jaar te horen, het opvallendst op stille dagen in het najaar, wanneer de groepen het grootst zijn.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Bijna een bol met een staart eraan: een rond lijfje van nog geen dertien centimeter waarvan de helft staart. De snavel is het merkteken van de familie — heel kort, hoog en zijdelings samengedrukt, hoornkleurig tot geelgrijs, en zo bol dat het silhouet van de kop naar voren toe abrupt afbreekt. Kruin en nek zijn warm kastanjebruin en scherp begrensd tegen de dofbruine rug. Het beslissende kenmerk zit daaronder: wang, keel en bovenborst zijn grijs, met fijne donkere streepjes over de keel, en dat grijs loopt als een kap tot in de halszijde. De vleugel is donkerbruin met kastanjebruine zomen, de zeer lange staart is getrapt. De iris is bleek, met een smalle lichte oogring. Man en vrouw zijn gelijk. In de vlucht is het beeld hulpeloos: korte, zwakke fladdervluchtjes van rietkraag naar rietkraag met de staart als een sliert erachteraan.
Verwarringssoorten
Alles draait om de bruinkopdiksnavelmees, waarmee hij in Noord-Italië door elkaar leeft — zie ook diens eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant staat. Die soort is een slag kleiner en overal warmer van kleur: het roze-oranjebruin van de kruin loopt geleidelijk door over wang en nek zonder scherpe grens, en keel en borst zijn roze tot wijnkleurig met fijne streepjes, nooit grijs. De grijskeel heeft dus een tweekleurige kop, de bruinkop een eenkleurige. Wees hier eerlijk: in Lombardije en Piemonte vliegen beide soorten samen en zijn tussenvormen gemeld, zodat een vogel met een half grijze wang beter helemaal niet op naam wordt gebracht. Van de inheemse vogels deelt alleen het baardmannetje dit biotoop; dat is groter, warm okerbruin, met een gele spitse snavel, en het mannetje draagt een zwarte hangsnor. Een staartmees heeft dezelfde staart maar een zwart-wit-roze kop en zit in struweel, niet in riet.
Leefgebied
In Italië vrijwel volledig gebonden aan natte ruigte in het laagland: uitgestrekt riet, de verlandende oevers van moerasplassen, greppel- en kanaalkanten, en vooral de overgang van riet naar struweel, met moerasspirea, grauwe wilg en late guldenroede. Ook verruigde randen van rijstvelden en spoordijken met riet. Klimt in groepjes langs de stengels omhoog, bijna altijd binnen een meter van het water. In de zomer insecten en spinnen, in de winter zaden, knoppen en overwinterende insecten die uit dode rietstengels worden gepeuterd — die winterkost verklaart waarom de soort een Lombardische winter aankan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het natuurlijke areaal ligt in Zuidwest-China — Sichuan, Guizhou en Yunnan — en in het uiterste noorden van Vietnam, in ruigte, bamboe en theetuinen tussen ruwweg 300 en 2350 meter. In Europa komt de soort alleen in Noord-Italië voor. De bevolking gaat terug op vogels die in 1995 bij een vogelhandelaar bij het Lago di Varese zijn ontsnapt of losgelaten; naar schatting anderhalfhonderd. Het eerste bolwerk was de Palude Brabbia tussen het Lago di Varese en het Lago di Comabbio, waar in 1998 al eenentwintig vogels werden gevangen en in 1999 zeker honderd aanwezig waren. Sindsdien is de soort langs het dal van de Ticino en het Lago Maggiore noord- en westwaarts opgeschoven, tot in Piemonte, met de eerste Zwitserse waarnemingen in 2017. De Lombardische bevolking wordt inmiddels op enkele duizenden vogels geschat, al is die schatting niet per soort uitgesplitst.
Waar en wanneer kijken
De Palude Brabbia bij Varese is het klassieke adres, met de rietvelden langs de Ticino als goede tweede. Loop op een windstille ochtend een dijkje langs een brede rietkraag en luister vooral: het gekwetter van een groep verraadt zich veel eerder dan de vogels zelf. Blijf dan staan en volg het geluid met je ogen door de rietpluimen; om de paar minuten klimt er een vogel tot boven in een stengel en balanceert daar even, en dat is het moment om de kopkleuren te zien. Kijk gericht naar de grens tussen kruin en wang. Ga niet het riet in — ze schuiven dan gewoon vijftig meter op.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern); in Zuidwest-China een algemene vogel van ruigte en struweel. In Europa gaat het om een exoot die teruggaat op ontsnapte handelsvogels, en om de enige zichzelf in stand houdende diksnavelmezenpopulatie van het werelddeel. Die bevolking is in dertig jaar van niets tot enkele duizenden vogels gegroeid en breidt zich nog steeds langzaam uit langs de rivierdalen. Schade is niet aangetoond. Wat denkbaar is, staat wel op papier: de soort eet in het voorjaar ongewervelden en in de winter zaad en knoppen, en dat overlapt met wat rietgors en kleine karekiet in dezelfde rietkraag zoeken. Er is echter geen enkele studie die een afname van een inheemse rietvogel aan hem koppelt, en het gaat om een klein areaal in een land waar rietmoeras toch al schaars is. Twee dingen verdienen wel aandacht. Ten eerste is niet uitgezocht hoe de aantallen zich verdelen over deze soort, de bruinkopdiksnavelmees en eventuele tussenvormen; zolang dat zo is, is elke soortspecifieke schatting een slag in de lucht. Ten tweede staat de soort zelf in Italië in een kwetsbaar biotoop: dezelfde ontwatering en verlanding die het riet bedreigen, bedreigen ook haar. Op de Europese lijst van zorgwekkende invasieve exoten staat ze niet.



