Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Kleine spotvogel
Kleine spotvogel | Iduna caligata
Booted warbler | Zarcero escita
Het kleinste spotvogeltje van het werelddeel, nauwelijks groter dan een tjiftjaf en zo bruin en onopvallend dat de meeste Nederlandse vogelaars hem alleen kennen van een septemberochtend op Vlieland of Schiermonnikoog. Hij broedt in de ruigte van Rusland, Estland en Finland en schuift al een halve eeuw westwaarts op, en hij is inmiddels het kleine bruine vogeltje waar in het najaar het vaakst een groepje mensen omheen staat.
Geluid
Dwaalgasten zwijgen meestal, maar roepen wel. De roep is een droog, hard tsjek of tek, vaak in korte reeksjes, daarnaast een ratelend tsjerr. Dat geluid scheidt hem niet van Sykes' spotvogel, die vrijwel gelijk klinkt; op roep alleen valt in het najaar niets te beslissen. De zang doet dat wel: een snel, hoog en droog geratel dat gehaast en scherp klinkt, met korte, telkens herhaalde motiefjes en piepende noten ertussen, meestal vanaf de top van een struik of in een kort zangvluchtje. Bij Sykes' is diezelfde zang trager, lager, nasaler en veel eentoniger.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Heel klein en compact, korter van staart en ronder van vorm dan alle andere spotvogels: de indruk gaat eerder richting braamsluiper dan richting karekiet. Bovendelen grijsbruin, in vers najaarskleed met een warme zandbruine waas; onderdelen wit met beige flanken. De kop draagt het meeste kenmerk: een witte wenkbrauwstreep die duidelijk tot achter het oog doorloopt, van boven begrensd door een donkerder zijkruinstreep en van onderen door een donkere teugelstreep — een gezicht met contrast, geen blanco gezicht. De snavel is kort, fijn en driehoekig, en de oranje ondersnavel heeft een donkere punt; die donkere punt is het bruikbaarste kenmerk dat er is. Op de vleugel ligt geen bleek paneel; de tertials zijn donker met smalle lichte zomen, en de handpenprojectie is kort, ongeveer de helft tot tweederde van de zichtbare tertials, met zes of zeven pentoppen. De staart is kort en recht afgesneden, met een witte buitenvlag aan de buitenste staartpen en een bleke top. Poten grijsbruin tot vleeskleurig. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
Sykes' spotvogel is de soort waar alles om draait; op zijn eigen bladzijde staat hetzelfde verschil vanaf de andere kant. Sykes' is groter en langer, koeler en zandgrijzer van kleur, met een merkbaar langere en rechtere snavel waarvan de ondersnavel tot in de punt oranje is, een vlakker gezicht waarin de wenkbrauwstreep nauwelijks achter het oog doorloopt en de donkere zijkruinstreep ontbreekt, een kortere handpenprojectie en een langere staart die hij vrijwel onophoudelijk naar beneden pompt. Naast dat alles oogt de kleine spotvogel ronder, warmer en drukker. Bosrietzanger en struikrietzanger zijn groter en langer van lijf, met een langere snavel zonder donkere punt en zonder wit in de staart. Oostelijke vale spotvogel is duidelijk groter, grijzer en langsnaviger en pompt eveneens met de staart. Braamsluiper heeft een donker masker en een grijze kop; fitis en tjiftjaf hebben een fijne, spitse snavel zonder brede basis en bewegen veel lichter.
Leefgebied
Ruigte met struiken — geen bos en geen riet. In Rusland en West-Siberië broedt hij in verruigde hooilanden en lupinevelden, in brandnetel- en moerasspirearuigte, in wilgenstruweel langs rivieren, op verlaten akkers en langs de bosranden van de bos-steppe. Naar het noorden gebruikt hij open plekken en kapvlakten in berken- en naaldbos, naar het zuiden struweelrijke steppe. Eén struik of hoge stengel als zangpost is genoeg. De najaarsdwaalgast belandt in duindoorn, vlier en brandnetels vlak achter de zeereep, maar dat is waar hij is neergekomen, niet waar hij hoort.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Noordoost-Europa en Noord-Azië: van Finland, Estland en Noordwest-Rusland oostwaarts tot in West- en Midden-Siberië, en zuidwaarts tot in Noord-Kazachstan en Noord-Iran. De westgrens schuift sinds de jaren zeventig op; in Zweden, Estland en Finland worden nu elk voorjaar zingende mannetjes gevonden en wordt regelmatig gebroed, met in juni en juli inmiddels honderden waarnemingen per jaar ten westen van Rusland. Overwintert in India en Sri Lanka. In Nederland, België en Groot-Brittannië is hij een schaarse maar vrijwel jaarlijkse dwaalgast met een scherpe piek in september en oktober; de meeste vogels komen van de Waddeneilanden, de Noordzeekust en de Schotse eilanden.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Half september tot eind oktober, op Vlieland, Texel, Schiermonnikoog of Fair Isle, in de lage struiken en brandnetels van een duinvallei of een tuintje bij een vuurtoren. Werk in vaste volgorde. Eerst de snavel: kort, fijn, met een donkere punt aan de oranje ondersnavel. Dan de kop: loopt de witte wenkbrauwstreep achter het oog door, en zit er een donkere streep bóven? Dan de staart: kort, recht afgesneden, wit aan de buitenrand, en niet aanhoudend naar beneden gepompt. Maak daarna foto's van de gespreide staart en de gevouwen vleugel, want met alleen een veldindruk komt een geval er niet door. En hou de kansverdeling in gedachten: elk klein, bleek spotvogeltje in Noordwest-Europa is een kleine spotvogel tot het tegendeel is aangetoond.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het areaal is enorm en de aantallen zijn stabiel tot toenemend, met een duidelijke uitbreiding naar het noordwesten: Finland, Estland en Zweden zijn in een halve eeuw van uitzondering tot vaste broedplek geworden. Daarmee nemen ook de dwaalgastwaarnemingen langs de Noordzee toe, al zit in die stijging net zo goed dat waarnemers de soort veel beter zijn gaan herkennen. Bedreigingen zijn niet in beeld; hij profiteert eerder van verruigde en verlaten landbouwgrond en van de lupinevelden langs Russische wegbermen en spoortaluds.



