Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Sykes' spotvogel
Sykes' spotvogel | Iduna rama
Sykes's warbler | Zarcero de Sykes
De zandkleurige tegenhanger van de kleine spotvogel: langer, koeler van kleur en met een snavel die te lang lijkt voor het vogeltje eraan. Hij broedt in de tamarisken, tuinen en stadsparken van Iran en Centraal-Azië. Tot in deze eeuw werd hij als een ondersoort van de kleine spotvogel behandeld; sindsdien wordt hij als aparte soort behandeld, en aan de Noordzee is hij een van de moeilijkste en zeldzaamste dwaalgasten die er zijn.
Geluid
De roep is een hard, droog tsjek, vaak in een reeksje, en een kort klikkend tk-tk. Dat is niet van de kleine spotvogel te scheiden, en op roep alleen komt een dwaalgast er nooit door. De zang scheidt ze wel: die is trager, lager en veel eentoniger dan bij de kleine spotvogel — een aanhoudend, nasaal en schurend gebabbel van korte, telkens herhaalde zinnetjes, dat meer op de oostelijke vale spotvogel lijkt dan op de gehaaste ratel van zijn kleine verwant. In het broedgebied zingt hij van mei tot in juli vanuit een tamariske of een tuinboom, ook midden op de dag.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets groter dan de kleine spotvogel en veel langer van indruk, met een lange staart en een korte, stompe vleugel. Het verenkleed is koel en vaal: zandgrijs boven, wit tot vuilwit onder, hooguit met een flauwe beige waas op de flanken, en zonder de warme tinten van de kleine spotvogel. De snavel is het beste kenmerk: lang, recht en vrijwel evenwijdig, met een ondersnavel die tot in de punt oranjeroze is — géén donkere punt. Het gezicht is vlak en uitdrukkingsloos: een korte, vage lichte wenkbrauwstreep die vóór en boven het oog begint en er nauwelijks achter doorloopt, zonder donkere zijkruinstreep erboven. De handpenprojectie is heel kort, ongeveer veertig tot vijftig procent van de zichtbare tertials, met vijf of zes pentoppen, zodat de vleugel stomp oogt en de staart lang. Die staart is licht afgerond en draagt minder wit op de buitenste staartpen dan bij de kleine spotvogel; hij wordt bijna onophoudelijk naar beneden gepompt en zijwaarts geschud. Poten bleek grijsbruin tot vleeskleurig. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
De kleine spotvogel is de vergelijking die telt, en op zijn bladzijde staat hetzelfde verschil vanaf de andere kant. Die is kleiner, ronder en korter van staart, warmer bruin, met een korte snavel met een donkere punt aan de oranje ondersnavel, een wenkbrauwstreep die duidelijk achter het oog doorloopt met een donkere streep erboven, een langere handpenprojectie en een korte, recht afgesneden staart met meer wit — en hij pompt niet aanhoudend met de staart. De echte valstrik is de oostelijke vale spotvogel: groter en zwaarder, met een langere en bredere snavel, maar met precies hetzelfde staartgedrag; op maat, snavelbreedte en vleugelformule is dat verschil in het veld vaak niet rond te krijgen. Grote vale spotvogel is nog groter, met een donkere, wit omzoomde staart die hij traag naar beneden zwaait. Bosrietzanger en struikrietzanger zijn warmer en compacter en missen het wit in de staart.
Leefgebied
Droog, warm laagland met struiken en water in de buurt. Kenmerkend zijn tamariskstruweel en het ooibos langs rivieren en irrigatiekanalen, wilg en olijfwilg langs akkerranden, en verder halfwoestijn met verspreide struiken, oases, boomgaarden, populierenrijen en stadsparken — in Iran komen de meeste waarnemingen uit parken, tuinen en rivieroevers bij dorpen en steden. Waar de kleine spotvogel de vochtige ruigte van de bos-steppe zoekt, houdt Sykes' spotvogel het bij het droge, open struweel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het Midden-Oosten en Centraal-Azië: van Zuidoost-Azerbeidzjan en heel Iran oostwaarts door Turkmenistan, Oezbekistan, West- en Zuid-Kazachstan en Afghanistan tot in Pakistan en Noordwest-India, en noordoostwaarts tot in West-China. De westrand van dat areaal ligt binnen het kaartgebied: in Iran wordt de soort in mei en juni volop vastgesteld van Qom en Teheran tot Isfahan en Khoezistan, en in het Kaspische laagland van West-Kazachstan is hij een gewone broedvogel. Overwintert in Pakistan en India. In Noordwest-Europa is hij een zeer zeldzame dwaalgast: Groot-Brittannië telt enkele tientallen gevallen, verspreid over juli tot oktober, Scandinavië een vergelijkbaar aantal, en Nederland en België samen niet meer dan een handvol.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De kans is klein, maar de aanpak is helder. Kijk in augustus en september op de Waddeneilanden of de Britse eilanden naar élke kleine, bleke spotvogel en werk hem af alsof het een kleine spotvogel is. Pas als de snavel opvallend lang is en de ondersnavel tot in de punt oranje, als het gezicht vlak is en de wenkbrauwstreep achter het oog wegvalt, en als de lange staart onophoudelijk naar beneden wordt gepompt, wordt het interessant. Fotografeer dan de gespreide staart, de gevouwen vleugel en de snavel van opzij, en hou er rekening mee dat een geval in de praktijk zelden wordt aanvaard zonder biometrie in de hand of DNA uit een verzamelde veer of uitwerpsel. Wie hem gewoon wil zíen, gaat in mei of juni langs een tamariskoever in Iran of Zuid-Kazachstan staan.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het areaal is groot en aaneengesloten en de aantallen zijn stabiel; de soort verdraagt door mensen gemaakt landschap goed en broedt tot in boomgaarden, tuinen en stadsparken. Plaatselijk verdwijnt tamariskstruweel doordat rivieren in Centraal-Azië worden afgetapt en rechtgetrokken, maar daar staat voorlopig winst langs irrigatiestelsels tegenover. Het aantal Europese dwaalgastgevallen loopt langzaam op, vooral omdat waarnemers de soort beter kennen en foto's en biometrie tegenwoordig standaard zijn.



