Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Kleine sprinkhaanzanger
Kleine sprinkhaanzanger | Locustella lanceolata
Lanceolated warbler | Buscarla lanceolada
De kleinste sprinkhaanzanger van allemaal, een muisje van elf tot dertien centimeter dat in Siberische natte graslanden broedt en zich in oktober bij oostenwind soms op Shetland, Fair Isle of een Waddeneiland laat vinden. Het is een van de weinige dwaalgasten die je eerder te voet dan met de verrekijker ontdekt: hij vliegt liever niet en loopt als een muis voor je schoenen weg.
Geluid
Bij ons zwijgt hij bijna altijd, maar in het broedgebied is de zang het enige waarop je snel afgaat, en hij lijkt verwarrend veel op die van de sprinkhaanzanger. Het is dezelfde soort hoge, droge, aanhoudende ratel — srrrrrrrrrrrrr — maar merkbaar hóger, ijler en nog een slag sneller, met een gonzende, werkelijk insectachtige klank die eerder aan een sikkelsprinkhaan of een veldkrekel doet denken dan aan een naaimachine. Waar de sprinkhaanzanger rond de vier tot zes kilohertz blijft hangen, zit deze soort daarboven: op afstand valt hij als eerste weg, en oudere oren horen hem soms in het geheel niet meer. De reeksen zijn korter — tien tot dertig seconden tegenover de minuten van de sprinkhaanzanger — en beginnen en eindigen abrupter, zonder de versnellende aanloop van losse tikken die zo kenmerkend is voor de snor. Met de krekelzanger is verwarring uitgesloten: die tikt vijf tot acht losse slagen per seconde af, hier is alles tot één toon versmolten. Hij zingt in de schemering en 's nachts vanuit een grasstengel of een lage struik. De roep, en dat is wat je hier hoort, is een kort en hard pit of tsjik en een schor, gerekt tsrrr, meestal ergens onzichtbaar uit een greppel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Alles aan hem is gestreept, en dat is het punt. Kruin, mantel en schouders dragen scherpe, zwarte streepstrepen op een koud olijfbeige grond; de onderdelen zijn geelbeige tot vuilwit en dragen fijne maar heldere zwarte streepjes over de gehele borst én — dit is het beslissende punt — dwars over de flanken tot in de onderstaartdekveren. De streping is scherp begrensd, niet vaag. Verder: een kleine, fijne snavel, een korte handpenprojectie, een korte en tamelijk smalle staart en lichtroze poten. De vogel oogt compact, kortstaartig en kortvleugelig, met een platte kop. Sommige najaarsvogels zijn geler en fijner gestreept dan andere, maar de flankstrepen ontbreken vrijwel nooit.
Verwarringssoorten
De sprinkhaanzanger is het enige echte probleem, en de kern zit onder de vleugel. Beide hebben gestreepte onderstaartdekveren, maar de sprinkhaanzanger heeft een schone of hooguit vaag gevlekte borst en volledig ongestreepte flanken; de kleine sprinkhaanzanger heeft scherpe zwarte streepjes over borst én flanken. De sprinkhaanzanger is bovendien groter, langer van staart, warmer olijfgroen en heeft een langere handpenprojectie; de streping op zijn mantel is fijner en diffuser. Snor is warm roodbruin en volstrekt ongestreept en komt niet in aanmerking. Krekelzanger is veel groter, egaal boven en alleen op de borst gewolkt. Let er ook op dat sterk verse najaarssprinkhaanzangers geelachtig zijn met een gevlekte borstband — dat is de klassieke valstrik.
Leefgebied
Natte graslanden en zeggemoerassen van de Siberische taiga en bossteppe: hoge, dichte grasvelden van struisriet en zegge in beekdalen en rivierdalen, drassige open plekken en verlandingszones, met verspreide wilgen- en berkenopslag. Ook natte hooilanden en verruigde perceelranden, mits de grasmat hoog en dicht is en de bodem nat blijft. Op de trek en in de winter, in Zuidoost-Azië, kiest hij vergelijkbaar hoog gras en rijstvelden. De vogel foerageert lopend over de bodem tussen de stengels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de Oeral oostwaarts door heel Siberië tot Kamtsjatka, Sachalin, Hokkaido en Noordoost-China; overwintert van India en Zuid-China tot Indonesië en de Filipijnen. Binnen het kaartgebied broedt hij niet: de westgrens van het broedgebied ligt rond en net ten oosten van de Oeral. In West-Europa is hij een najaarsdwaalgast met een sterk geconcentreerd patroon: het overgrote deel van de Britse gevallen komt van Shetland en in het bijzonder van Fair Isle, in de laatste dagen van september en in oktober, na een periode van oostenwind. Nederland heeft een klein aantal aanvaarde gevallen, vrijwel alle van de Waddeneilanden en de kust; Duitsland, Denemarken en Scandinavië tellen er eveneens enkele.
Waar en wanneer kijken
Fair Isle of Shetland, de eerste helft van oktober, na dagen van oost tot zuidoost. Loop langzaam door de irisvelden, de greppels en de laatste gewasranden en kijk vooral naar de gróndlaag: deze vogel vliegt vrijwel niet, maar loopt als een muis weg en drukt zich, soms tot op een meter afstand. Wie hem opjaagt ziet hooguit een klein, donker, kortstaartig vogeltje dat na tien meter weer in het gras duikt — dan is geduld het enige middel. In Nederland gelden dezelfde omstandigheden voor de Waddeneilanden; controleer elke late sprinkhaanzanger op de flankstreping.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Het broedgebied is enorm en de soort is in grote delen van Siberië talrijk, zodat de Europese gevallen niets zeggen over de stand. Op wintergebied en trekroute is de omzetting van hoog moerasgras in rijstbouw en de aanleg van dijken en ontwatering het grootste knelpunt. Dat het aantal Britse najaarsgevallen sinds de jaren zeventig is toegenomen, hangt vermoedelijk eerder samen met meer waarnemers en beter herkennen dan met een verandering in de vogel zelf.



