Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Siberische sprinkhaanzanger
Siberische sprinkhaanzanger | Helopsaltes certhiola
Pallas's grasshopper warbler | Buscarla de Pallas
De rijkst getekende van de sprinkhaanzangers: zwaar zwart gestreept op kruin en mantel, met een roestbruine stuit en een donkere, trapsgewijs afgeronde staart waarvan de veren witte punten dragen. Hij broedt in de moerassige beek- en meeroevers van Siberië en verschijnt in oktober op Shetland, in Scandinavië en langs de Noordzeekust, meestal als een vogel die één keer wegduikt en dan verdwenen is. Wie hem dan zag wegvliegen, heeft aan die staart genoeg. De soort wordt sinds 2018 in het geslacht Helopsaltes geplaatst; dat is een indelingskwestie en verandert niets aan de vogel zelf.
Geluid
Van de drie ratelaars is dit de enige die niet ratelt. In plaats van een minutenlange, gelijkmatige triller zingt hij korte, herhaalde strofen van twee tot vier seconden, met een duidelijke opbouw: eerst een paar harde, losse tikken, dan een snel, gonzend rateldeel en tot slot een korte, heldere, bijna zwaluwachtige uithaal — ongeveer tsjik-tsjik-tsjik … drrrrrrr … tsjuu-wie. Tussen de strofen valt een pauze van enkele seconden, en die pauze alleen al scheidt hem van de sprinkhaanzanger, die zonder ophouden doorgaat, en van de snor, die een half tot een heel minuut doorsnort. Ook de klank verschilt: het rateldeel is lager, voller en breedbandiger dan het droge, hoge snerpen van de sprinkhaanzanger, en de afsluitende fluittoon heeft niets mechanisch. Sommige mannetjes vlechten er korte nabootsingen van andere vogels doorheen. Hij zingt vooral in de schemering en 's nachts, vanuit een wilgentop of een rietstengel, en soms in een korte zangvlucht. In Europa is dit alles theorie: onze najaarsvogels zingen niet en laten hooguit de roep horen, een hard en kort tsjik dat klinkt als twee kiezels die tegen elkaar tikken, vaak twee- of driemaal herhaald uit dekking.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groter en forser dan de sprinkhaanzanger, dertien tot veertien centimeter. Kruin en mantel zijn zwaar en grof zwart gestreept op een warm olijfbruine grond, veel contrastrijker dan bij onze eigen soort. De vleugelveren hebben donkere centra met brede lichte zomen, wat een geschubd paneel oplevert. Boven de staart wordt de vogel opvallend roestbruin: stuit en bovenstaartdekveren zijn roodbruin en steken af tegen de donkere, bijna zwartbruine staart. Die staart is sterk trapsgewijs en heeft — dit is het beslissende kenmerk — smalle witte of vuilwitte punten aan de veertoppen, met daarvoor een donkere band. De wenkbrauwstreep is licht en tamelijk duidelijk, de onderdelen zijn vuilwit met een beige waas op borst en flanken en meestal zonder streping; eerstejaars najaarsvogels zijn geler en kunnen een fijn gestreepte borstband hebben.
Verwarringssoorten
De sprinkhaanzanger is kleiner en slanker, olijfgroen in plaats van roodbruin, en mist beide sleutelkenmerken: hij heeft geen roestbruine stuit en zijn staart heeft geen witte punten. Zijn streping is fijn en diffuus in plaats van grof en zwart, en zijn onderstaartdekveren zijn duidelijk gestreept, terwijl die van de Siberische sprinkhaanzanger vrijwel egaal zijn. De kleine sprinkhaanzanger is nog kleiner en juist over borst én flanken gestreept. Snor is warm roodbruin maar volledig ongestreept, met een egale mantel en een ongetekende staart. Krekelzanger is egaal boven en gewolkt op de borst. De rietzanger heeft ook een roestbruine stuit en een gestreepte kruin, maar zijn wenkbrauwstreep is breed en crèmekleurig, zijn staart is korter en zonder witte punten en zijn zang is grillig en krassend.
Leefgebied
Natte, ruige oeverzones in de taiga en de bossteppe: zeggemoerassen en rietkragen langs meren, oude rivierarmen en veenplassen, drassige graslanden met struisriet, en vooral de wilgen- en berkenstruwelen die daar tussenin staan. Hij houdt van de overgang tussen open, nat gras en struweel, met dichte dekking op kniehoogte en water in de buurt. Op de trek en in het winterkwartier van Zuid- en Zuidoost-Azië zit hij in hoog moerasgras, riet en rijstvelden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van West-Siberië en Noord-Kazachstan oostwaarts door Mongolië en Siberië tot Kamtsjatka, Sachalin en Noordoost-China, en overwintert van Noordoost-India en Bangladesh tot Myanmar, Indochina en Indonesië. Binnen het kaartgebied broedt hij niet. In West-Europa is hij een zeldzame najaarsdwaalgast, met de nadruk op de laatste week van september en de eerste helft van oktober; Groot-Brittannië heeft enkele tientallen aanvaarde gevallen, met Shetland en Fair Isle bovenaan, en ook Noorwegen, Zweden, Denemarken, Duitsland en Nederland tellen enkele gevallen. Een flink deel van de vastelandsgevallen komt uit ringvangsten aan de kust, want een vogel die zich zo goed verstopt wordt eerder in een mistnet gevonden dan in het veld.
Waar en wanneer kijken
Begin oktober, na een aanhoudende oost- tot zuidoostenwind, op een kustlocatie met dekking: een eiland, een duinvallei met kruipwilg en duindoorn, of een ringstation. Zoek op de grond en in de onderste halve meter, en let bij elke wegduikende bruine zanger op twee dingen: springt de stuit roodbruin op, en zie je lichte punten aan de staartveren? Dan is het raak. In de hand is de zaak snel beslist met de buitenste staartveer. Wie de vogel op zijn zangplaats wil beleven, moet naar de moerassen van Zuid-Siberië of het Baikalgebied.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd: het broedgebied beslaat vele miljoenen vierkante kilometers en de soort is er plaatselijk talrijk. Voor de vogels die Europa halen geldt dat hun aantal vooral iets zegt over de weersomstandigheden in september en over het aantal waarnemers langs de kust. In het winterkwartier drukt de omzetting van moerassen in rijst- en akkerbouw op de beschikbare ruimte, maar van een gedocumenteerde afname is geen sprake.



