Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Kortteenleeuwerik
Kortteenleeuwerik | Calandrella brachydactyla
Greater short-toed lark | Terrera común
De leeuwerik van de zuidelijke graanvlaktes en steppen: bleek, kortstaartig en met een zware kegelsnavel. Van Spanje tot Turkije broeden er miljoenen paren, maar bij ons is het een vogel van een handvol dagen per jaar — meestal één stille doortrekker op een kaal duin of een kwelder.
Geluid
De zang komt vooral uit een golvende zangvlucht op twintig tot vijftig meter hoogte en bestaat uit korte, telkens herhaalde strofen: tip-ze-tie-zer-li-lu, droog en tamelijk monotoon, maar doorspekt met verrassend goede imitaties van andere vogels — torenvalk, kuifleeuwerik, grauwe gors. Een zangvlucht duurt gewoonlijk drie tot acht minuten, bij uitzondering een half uur. De vluchtroep is een kort, hard, droog tsjirp of drrp, meestal van overvliegende groepjes. Zingt van april tot in juni, vaak al vroeg in de ochtend.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Kleine, bleke leeuwerik, iets kleiner en korter gestaart dan een veldleeuwerik. Van boven zandkleurig tot grijsbruin en fijn gestreept, bij westelijke vogels vaak met een roestrode kruin. Het beslissende beeld zit op de onderkant: een schone, ongestreepte roomwitte borst met aan weerszijden van de hals een klein donker vlekje, als een dichtgeknoopte kraag. De snavel is kort, dik en kegelvormig, vleeskleurig met een grijze bovenrand. De schouderveren zijn opvallend lang en bedekken de vleugelpunt bijna helemaal, zodat er in rust maar één of twee handpennen uitsteken. De buitenste staartpennen zijn vuilwit, niet zuiver wit, en op de vleugel staan twee vage lichte banden. Loopt snel en laag over kale grond; buiten de broedtijd in dichte zwermen die als één lichaam zwenken.
Verwarringssoorten
De kleine kortteenleeuwerik is de echte valstrik — zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant staat. Die heeft een fijn maar duidelijk gestreepte borst in plaats van een schone, mist het donkere halsvlekje, heeft een kortere en stompere snavel en kortere schouderveren, zodat er drie of meer handpennen uitsteken; de roep is een droog rollend prrrit in plaats van een korte, harde tik. Veldleeuwerik is groter, veel langer gestaart, heeft een kuifje, een witte achterrand aan de vleugel en zuiver witte buitenste staartpennen. Duinpieper is slanker en langpotiger, met een dunne pieperssnavel en een wiegende, wippende loop, en heeft geen halsvlekje.
Leefgebied
Vlak, boom- en struikloos droog land: graanstoppel en braak op de Spaanse en Turkse hoogvlaktes, droge steppegraslanden, zoutsteppe, kaal erial en halfwoestijn. Het gaat om lage, ijle begroeiing met veel open grond ertussen — te kaal en de vogel ontbreekt, te dicht en hij is weg. Het nest is een kuiltje in de grond, meestal tegen een pol, een steen of een bultje aan gebouwd en met de opening naar het noorden, zodat het in de schaduw ligt; op harde bodem wordt de rand met kluitjes en steentjes opgehoogd.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Iberië en Noordwest-Afrika oostwaarts tot China, met in Europa de zwaartepunten in Spanje, Zuid-Frankrijk, Italië, de Balkan en vooral Turkije. De noordelijkste, geïsoleerde broedplekken liggen in Midden-Frankrijk en op de zoutsteppe van Oost-Hongarije. Vrijwel alle Europese vogels overwinteren aan de zuidrand van de Sahara, in de overgang van Sahel naar woestijn; Aziatische vogels in Noordwest-India. In Nederland en België een zeldzame maar bijna jaarlijkse doortrekker, in april en mei en opnieuw in oktober en november.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans ligt in het zuiden. Rijd in mei op een Spaanse of Turkse graanvlakte een landweg op, zet de motor uit en luister: de droge, ratelende zangvlucht hangt boven je voordat je de vogel ziet. Wie hem in Nederland wil zien, moet het hebben van de Waddeneilanden en de Zeeuwse en Hollandse kust in mei of oktober — meestal een vogel die tussen graspiepers op kort, kaal terrein loopt. Controleer dan drie dingen: de schone witte borst, het donkere vlekje op de halszijde en de dikke, korte snavel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): het wereldbestand loopt in de honderden miljoenen en het areaal is enorm. In Europa is het beeld minder rooskleurig. Tussen 1970 en 2000 namen de aantallen in Spanje en in Europees Rusland sterk af, terwijl ze in Turkije — met verreweg het grootste bestand — stabiel bleven. De achteruitgang loopt gelijk op met het verdwijnen van braak en stoppel, de omzetting van droge hoogvlaktes in geïrrigeerde teelt en het inzaaien of bebossen van steppe. In Frankrijk en Hongarije is de soort teruggedrongen tot een paar restpopulaties op zeer bijzondere plekken.



