Alle soortenZangvogelsKlauwieren › Noordelijke klapekster

Noordelijke klapekster | Lanius borealis

Northern shrike | Alcaudón boreal

De noordelijke klapekster is de grijze klauwier van de taiga en de toendrarand, van Midden-Siberië door Alaska tot in Canada. In Europa is hij een uiterst zeldzame gast: één Nederlands geval, een vogel die in november 1909 bij Nuenen werd verzameld en pas ruim honderd jaar later, met DNA-onderzoek aan de museumhuid, op naam werd gebracht. Ook hij spietst muizen en vogeltjes op doorns.

Noordelijke klapekster (Lanius borealis)
Foto: Chrissy McClarren and Andy Reago — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Als bij de klapekster: een schor, ratelend tsjèk-tsjèk als alarm en een hard, nasaal waaid. De zang is een zachte, langgerekte babbel met veel imitaties van andere vogels, vaak vanaf een hoge top en ook buiten de broedtijd te horen. Voor het onderscheiden van de soorten helpt het geluid niet: de verschillen zijn te klein en te veranderlijk om er in het veld op af te gaan.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een forse grijze klauwier, gemiddeld nog iets groter en zwaarder dan de klapekster. De bovenzijde is licht en bleek asgrijs, de onderzijde wit; bij volwassen vogels is de borst vaak nog fijn gegolfd, bij eerstejaars vogels loopt die golfstreping als een dichte, fijne bandering over de hele onderzijde en heeft het kleed een bruinige waas. Het zwarte masker is betrekkelijk smal en reikt vóór het oog nauwelijks over de snavelbasis, zodat er een licht wigje overblijft tussen snavel en masker; erboven een dun wit lijntje. De snavel is de beste aanwijzing: langer en dieper dan bij de klapekster, met een sterkere haak en meestal een duidelijk bleke basis van de ondersnavel. De vleugel is zwart met een witte handpenvlek, de staart lang en zwart met witte buitenpennen. In houding en jachtwijze is hij niet van de klapekster te onderscheiden: rechtop op een vrije top, staart wippend, lage golvende vlucht.

Verwarrings­soorten

De klapekster is de maatstaf en het echte probleem. Die is gemiddeld kleiner, met een korter en minder diep bemeten snavel en een zwakkere haak, een breder masker dat vóór het oog verder over de snavelbasis doorloopt, en volwassen vogels hebben een schonere, minder gegolfde onderzijde. Geen van die kenmerken is op zichzelf sluitend: er zijn vogels die er tussenin vallen, en de Finse zeldzaamhedencommissie aanvaardt Europese gevallen daarom alleen met DNA. De Iberische klapekster wijst juist de andere kant op: donkerder grijs, een roze waas over de borst, een breder wit wenkbrauwstreepje en minder wit in de vleugel. De kleine klapekster is compacter, met zwart dat ook over het voorhoofd doorloopt, een kortere snavel en langere vleugelpunten, en hij is hier een zomervogel; verwarring in het winterhalfjaar is daarmee vrijwel uitgesloten. Kortom: meet in het veld vooral de snavel en de streping, en houd rekening met de kans dat de vogel niet op naam te brengen is.

Leefgebied

In het broedgebied de overgang van bos naar toendra: open lariks- en sparrentaiga met veel kapvlakten, wilgen- en dwergberkenstruweel langs beken, en de randen van veenmoerassen — overal met vrije uitkijkposten boven een lage, muizenrijke vegetatie. In de winter zakt hij af naar open land met verspreide struiken en bomen: graslanden, steppes en akkerranden. De verdwaalde vogels in Europa duiken op in hetzelfde soort terrein als de klapekster.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Midden- en Oost-Siberië oostwaarts tot Kamtsjatka, en aan de andere kant van de Beringzee door Alaska en Noord-Canada tot Labrador; hij overwintert een eind zuidelijker, tot in de noordelijke Verenigde Staten. Daarmee ligt het hele areaal buiten het kaartgebied van deze gids. In Europa is hij een uiterst zeldzame dwaalgast: er zijn maar een handvol aanvaarde gevallen, waarvan enkele met DNA onderbouwd. Het Nederlandse geval is de vogel van Nuenen uit november 1909, die in de collectie van Naturalis lag en pas na 2020 als Lanius borealis sibiricus werd herkend.

Waar en wanneer kijken

Realistisch gezien vind je hem niet; je struikelt erover. Wie in de winter grijze klauwieren bekijkt doet er goed aan van elke vogel het kopprofiel en de zijkant van de borst te fotograferen: snavellengte, de vorm van het masker vóór het oog en de mate van golfstreping zijn de dingen waar het achteraf op aankomt, en die zijn thuis op een scherpe foto beter te beoordelen dan door de telescoop. Verzamel bij een verdachte vogel ook uitwerpselen of een verloren veertje; zonder DNA blijft de bepaling in Europa open.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern): het areaal is enorm en ligt grotendeels in dunbevolkt taigagebied, al zijn de aantallen in Noord-Amerika op de wintertellingen langzaam teruggelopen. Voor Europa is de soort vooral een taxonomische kwestie. Lanius borealis werd lang als noordelijke vorm van de klapekster gezien en wordt sinds 2017 als aparte soort behandeld, nadat genetisch onderzoek had laten zien dat de Siberische en Noord-Amerikaanse vogels dichter bij elkaar staan dan bij de Europese. Sindsdien worden oude museumhuiden opnieuw bekeken — en dat leverde in Nederland meteen een nieuwe soort op.