Alle soortenZangvogelsKlauwieren › Turkestaanse klauwier

Turkestaanse klauwier | Lanius phoenicuroides

Red-tailed shrike | Alcaudón colirrojo

De Turkestaanse klauwier broedt in de droge bergvoeten en dalen van Centraal-Azië, van het noordoosten van Iran tot in West-China, en overwintert in Oost-Afrika. Zijn broedgebied begint net buiten de rand van dit kaartgebied, maar zijn trekweg loopt er wel doorheen: in maart en april en opnieuw in september en oktober trekt hij in aantal door Iran en de Golfstaten. In Noordwest-Europa is hij van de drie oosterse klauwieren de zeldzaamste, en tegelijk de enige die hier ook in het voorjaar opduikt.

Turkestaanse klauwier (Lanius phoenicuroides)
Foto: Лариса Артемьева — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

In Europa vrijwel altijd stil. In het broedgebied klinkt een hard, ratelend tsjek-tsjek als alarm en een schorder tsjèèr bij verstoring. De zang is een zacht, langdurig babbelen met veel imitaties, vanaf een struiktop voorgedragen en meestal alleen op korte afstand hoorbaar.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een slanke klauwier, iets kleiner dan een grauwe klauwier. Het mannetje is de meest getekende van de drie: de kruin is warm roodbruin en steekt duidelijk af tegen een grijsbruine tot grijze mantel, en daaronder loopt een breed, diepzwart masker dat via de teugel doorloopt tot boven de snavelbasis. Daarboven ligt een scherpe, zuiver witte wenkbrauwstreep. De onderzijde is wit tot roomwit, vaak opvallend schoon; stuit en de lange, smalle staart zijn roestrood. In de vleugel zit meestal een klein wit vlekje aan de basis van de handpennen. Vrouwtjes zijn matter, met een bruiner masker, een minder scherpe wenkbrauw en een fijne, donkere golfstreping op de witte flanken. Op de gesloten vleugel zijn zes of zeven pentoppen te tellen, meer dan bij de bruine klauwier maar minder dan bij de grauwe. In het westen van het broedgebied komen vogels van het type karelini voor, met een grijzere kruin en daardoor minder contrast; hun status is niet uitgemaakt.

Verwarrings­soorten

Het roestrode van stuit en staart scheidt deze vogel meteen van de grauwe klauwier, die een zwart-witte staart heeft en boven kastanjebruin is. De echte opgave is de daurische klauwier, waarmee deze soort tot in deze eeuw als één soort werd behandeld en waarvan hij sinds 2018 ook op de Britse lijst apart wordt gehouden. Bij een volwassen mannetje is het verschil goed te zien: de Turkestaanse klauwier is contrastrijk, met een roodbruine kruin tegen een grijzere mantel, een breed masker dat over de snavelbasis doorloopt en een scherp afgetekende witte wenkbrauw, terwijl de daurische bleek zandkleurig is met nauwelijks verschil tussen kruin en mantel, een smaller masker en een vage wenkbrauw. Bij vrouwtjes en eerstejaars vogels valt dat verschil grotendeels weg en zijn veel vogels in het veld niet met zekerheid op naam te brengen; die worden dan ook aanvaard als Turkestaanse of daurische klauwier. De bruine klauwier is warm bruin met een dof bruine staart, een veel zwaardere snavel en een opvallend korte hand met een stuk of vier zichtbare pentoppen. Twee dingen maken het extra lastig. Vogels van het type karelini, die vooral aan de westkant van het areaal broeden, lijken door hun grijzere kruin op de daurische klauwier — de beide Nederlandse vogels van 2000 en 2002 hoorden bij dat type. En juist deze soort hybridiseert met de grauwe klauwier waar hun areaal elkaar raakt; het betrouwbaarste teken is een staart waarin roestbruin en donkere tekening dooreen lopen. Laat een vogel liever open dan hem op één kenmerk te benoemen.

Leefgebied

Droge, open landschappen aan de voet van de Centraal-Aziatische gebergten en tot hoog daarin: jeneverbesstruweel op berghellingen, tamarisken langs rivierdalen, doornstruweel in de steppe, rietkragen langs waterlopen en de randen van akkers en boomgaarden. Hij komt van de laagvlakte tot ruim drieduizend meter voor, hoger dan de andere klauwieren van deze groep. Overal gaat het om struiken met open grond ertussen: het nest zit laag in een doornige struik, de jacht gaat vanaf een uitstekende tak, en prooien worden op doorns en op prikkeldraad gespietst.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van de Kopet Dag en het noordoosten van Iran door Turkmenistan, Oezbekistan, Kirgizië en Zuid-Kazachstan tot West-Xinjiang, en zuidwaarts tot Afghanistan en Pakistan. De westgrens ervan ligt net buiten dit kaartgebied: de Iraanse broedvogels zitten in de bergen ten oosten van drieënvijftig graden oosterlengte, en verder westwaarts gaat het alleen nog om trekvogels. Die trek is wel volop binnen beeld: in maart en april en opnieuw in september en oktober is de soort een gewone verschijning in Koeweit, het oosten van Saoedi-Arabië, Qatar, Bahrein en het westen van Iran, op weg naar en van de winterkwartieren in Oost-Afrika. In Noordwest-Europa blijft het bij enkele gevallen per land. Nederland telt er zes, alle uit deze eeuw: vijf tussen 13 augustus en 25 november, en één in het voorjaar, op 14 mei 2022 bij Bergen. Groot-Brittannië heeft er ruim tien sinds de eerste in Norfolk in 1995; het bekendste bleef in de zomer van 2022 een maand lang bij Bempton Cliffs in Yorkshire hangen. In Iberië zijn maar een paar gevallen bekend, waaronder een goed bekeken vogel bij de Taagmonding in Portugal in juli 2018.

  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Voor Nederlandse begrippen: augustus tot eind november aan de kust, en met een kleine kans in mei. Zoek in duinstruweel, langs ruige akkerranden en op prikkeldraad naar een klauwier die vanaf een lage post jaagt. Kijk eerst naar de staart — roestrood, niet zwart-wit — en dan naar de kop: het contrast tussen een roodbruine kruin en een grijzere rug, en een masker dat aan de voorkant over de snavelbasis doorloopt, wijzen op deze soort. Beoordeel de vogel niet in tegenlicht, want juist die kruinkleur verandert dan sterk; loop zo nodig om.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De soort is over een groot deel van Centraal-Azië talrijk en profiteert plaatselijk van struweel langs akkers en irrigatiekanalen. Voor Europa is dit een gast zonder eigen beschermingsstatus. Hoeveel gevallen er precies zijn is lastig te zeggen: doordat deze soort en de daurische klauwier lange tijd als één soort werden behandeld, is een deel van de oudere waarnemingen niet meer aan een van beide toe te wijzen, en de reeks bruikbare gevallen begint in de praktijk pas rond de eeuwwisseling.