Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Altamiratroepiaal

Altamiratroepiaal | Icterus gularis

Altamira Oriole | Turpial de Altamira

De altamiratroepiaal is de grootste troepiaal van Noord-Amerika, met een zware snavel, een oranje schouderveld en een hangnest dat tot ruim zestig centimeter lang kan worden. Hij is standvogel van de Golfkust van Mexico en Midden-Amerika en bereikt de Verenigde Staten alleen in het dal van de Rio Grande in Zuid-Texas, waar hij zich sinds 1939 heeft gevestigd.

Altamiratroepiaal (Icterus gularis)
Foto: Andy Morffew — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een langzame reeks heldere, volle fluittonen, met flinke pauzes ertussen en meestal niet meer dan vier tot zes notities achter elkaar; hij klinkt trager en lager dan de zang van de andere troepialen van het gebied. De roep is een hard, nasaal ike of njèk, vaak in korte series, en een schrapende ratel bij verstoring. Beide geslachten zingen, ook in de winter, en een paar houdt met roepjes contact terwijl het samen door de kruinen foerageert.

Luister: ZangXC784890

Opname: Isaí López — CC BY-NC-SA 4.0 · Marcala, Departamento de La Paz, Honduras, Honduras · xeno-canto

Herkenning

Groot en fors, met een dikke, rechte snavel waarvan de onderkaak aan de basis grijsblauw is. Kop, borst en buik zijn oranje, de keel zwart en met een scherpe rand afgezet, evenals een zwart masker rond snavel en oog. Rug, vleugel en lange staart zijn zwart. Op de schouder staat een duidelijk oranje veld dat bij zittende vogels zichtbaar is; daarnaast heeft de vleugel witte randen aan de armpennen en witte vlekjes op de handpendekveren. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit. Jonge vogels zijn olijfgeel met een doffe bruine vleugel en een geel in plaats van oranje schouderveld.

Verwarrings­soorten

De maskertroepiaal is aanzienlijk kleiner en slanker, heeft een dunne, licht gebogen snavel en twee smalle witte vleugelbanden in plaats van een oranje schouderveld. De baltimoretroepiaal, die in Zuid-Texas op trek voorkomt, is kleiner, heeft een geheel zwarte kop zonder oranje wang en oranje in de buitenste staartpennen. De tuintroepiaal is veel kleiner en bij het mannetje kastanjebruin. Bij een zittende vogel is de combinatie van formaat, oranje schouder en zware snavel beslissend.

Leefgebied

Licht bebost laagland: doornbos met mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes) en ebbenhout, oeverbos langs rivieren en resacas met Mexicaanse es en cipres, ranchland met verspreide bomen en beboomde parken en dorpsranden. In Mexico en Midden-Amerika komt hij tot ongeveer 1500 meter voor, tot in tuinen en langs wegen. Het nest wordt aan het uiteinde van een hoge, hangende tak gebouwd, soms aan een telefoondraad, en het paar kiest de plek nauwelijks toevallig vaak in de buurt van een nest van de grote kiskadie of de tropische koningstiran.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel, zonder seizoenstrek. Het areaal loopt van Zuid-Texas — Starr, Hidalgo, Cameron en Willacy County in het dal van de Rio Grande — door Tamaulipas, Nuevo León en San Luis Potosí zuidwaarts langs de Golfkust over Veracruz, Tabasco en het schiereiland Yucatán tot Chiapas, Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua; op de Pacifische helling is hij aanwezig van de Isthmus van Tehuantepec zuidwaarts. In Texas werd hij in 1939 voor het eerst vastgesteld en broedde hij vanaf 1951; het gaat daar om een paar honderd broedvogels, geconcentreerd in de natuurreservaten langs de rivier en in enkele stadsparken.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

In Texas zijn Bentsen-Rio Grande Valley State Park, Santa Ana en Salineño de plekken met de grootste kans; het hele jaar door, maar in de winter worden de vogels vooral gezien bij voedertafels met sinaasappel en pindakaas. Zoek eerst het nest: een hangende zak van dertig tot zestig centimeter aan het uiteinde van een hoge tak is van ver te zien en staat jaar na jaar in hetzelfde territorium.

Staat van instandhouding

Wereldwijd staat de soort als niet bedreigd (LC) te boek en het areaal is groot. In Texas is hij als bedreigd aangemerkt door de deelstaat: het aantal broedvogels wordt daar op niet meer dan vijfhonderd geschat en de oeverbossen van het Rio Grande-dal zijn grotendeels omgezet in landbouw en woonwijken. Herstelaanplant van inheems doornbos in de reservaten langs de rivier heeft het beschikbare broedgebied vergroot. In het Mexicaanse deel van het areaal is de soort talrijk en verdraagt hij een licht aangetast landschap.

Wetenschappelijke naam

Icterus gularis | (Wagler, 1829)

Wagler beschreef de soort in 1829 als Psarocolius gularis; de latere plaatsing in Icterus zet auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus komt van het Griekse ikteros, de naam van een gele vogel. De soortnaam gularis is Latijn voor 'van de keel', van gula 'keel', naar de zwarte keelvlek. De Nederlandse, Engelse en Spaanse naam verwijzen naar Altamira, een plaats in het zuiden van Tamaulipas in Mexico. Het beschreven exemplaar kwam uit Tehuantepec in Oaxaca.