Alle soorten › Genten en aalscholvers › Slangenhalsvogels › Amerikaanse slangenhalsvogel
Amerikaanse slangenhalsvogel | Anhinga anhinga
Anhinga | Anhinga americana
De Amerikaanse slangenhalsvogel is de vogel die in de moerassen van het zuidoosten met wijd gespreide vleugels op een dode tak zit te drogen, roerloos, als een uitgeknipt zwart kruis tegen de lucht. Zwemt hij, dan is van het hele dier vaak niets te zien dan een dunne, kronkelende hals — vandaar dat hij in het Engels slangenvogel heet. Het is de enige soort van zijn familie in Amerika, en de enige die zo ver naar het noorden komt.
Geluid
Weg van de kolonie hoort men hem zelden; een opgejaagde vogel laat hooguit een korte, hese kreun horen voordat hij van de tak glijdt. Bij het nest is hij daarentegen luidruchtig, vooral wanneer de partner terugkomt: dan volgt een snel, hard geratel dat aan een houten ratel of aan het aflopen van een vismolen doet denken, eerst versnellend en dan abrupt afgebroken. Daartussendoor klinken lage, knorrende agh-agh-agh-klanken, met de snavel wijd open en de hals gestrekt. De jongen bedelen met een schril, piepend gekras dat boven de reigers en ibissen in dezelfde bomen uit komt.
Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · San Joaquin (near Monte Villa), Yacuma, Departamento del Beni, Bolivia · xeno-canto
Herkenning
Een lange, magere watervogel met een slanke hals, een rechte gele dolksnavel, een klein kopje en een lange, brede staart. Het mannetje is glanzend zwart met een groene weerschijn, en over de schouders en de bovenvleugeldekveren liggen zilverwitte strepen en vlekken die van ver op een geborduurd patroon lijken; in de broedtijd draagt hij losse lichte veren op kop en hals en is de huid om het oog groen. Het vrouwtje heeft dezelfde zwarte romp maar een lichtbruine, warm zandkleurige kop, hals en borst, scherp begrensd tegen het zwart — het meest bruikbare kenmerk van de soort. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn bruiner en missen het zilver op de vleugel. In de lucht is de vorm kenmerkend: een kruis van gestrekte hals, brede vleugels en een even lange staart.
Verwarringssoorten
De geoorde aalscholver (Nannopterum auritum) is de soort waarmee hij voortdurend wordt verward: die heeft een dikkere snavel met een haak aan het eind, een oranje keelzak, een kortere staart, en hij zwemt met de snavel schuin omhoog in plaats van met een strakke hals boven water. In de vlucht draagt de aalscholver een knik in de hals en slaat hij vrijwel altijd door; deze soort strekt de hals recht en glijdt lange stukken. Bruine, lichtborstige jonge aalscholvers worden gemakkelijk voor vrouwtjes aangezien; let dan op de snavel en op de staartlengte. Hoog in de lucht, cirkelend op thermiek, lijkt hij bovendien op de kalkoengier en de kaalkopooievaar — die hebben allebei een korte staart en een veel bredere vleugel.
Leefgebied
Stil of traag stromend zoet water met bomen erlangs: cipressenmoeras, oude rivierarmen, moerasmeren met drijvende begroeiing, en de rustige delen van kanalen, stuwmeren en visvijvers. Hij heeft twee dingen nodig, en die bepalen waar hij zit: helder genoeg water om onder water op zicht te jagen, en dode takken of laag hangende bomen boven het water om op te drogen en te rusten. Aan de kust gebruikt hij lagunes en mangrovekreken zolang het water er brak of zoet is; op open zee is hij niet te vinden. Snel stromende rivieren, kale oevers en koud water mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Florida en de kuststaten langs de Golf van Mexico tot in Zuid-Texas, met broedplaatsen noordwaarts tot Arkansas, Tennessee, Oklahoma en de kust van North Carolina; verder zuidwaarts langs beide kusten van Mexico, door Midden-Amerika en op Cuba, en buiten dit gidsgebied door tot in Argentinië. De vogels van de noordrand van het areaal verlaten in oktober hun broedplaats en overwinteren aan de Golfkust en in Florida; ze trekken overdag, cirkelend op thermiek in losse groepen, en worden dan voor roofvogels aangezien. Waar het 's winters vriest kan hij niet blijven: zijn verspreiding naar het noorden houdt op waar het water dichtgaat. In de twintigste eeuw is hij met de aanleg van stuwmeren, kanalen en viskwekerijen op sommige plaatsen juist toegenomen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop midden op de dag over een moerasvlonder — de Anhinga Trail in de Everglades is naar deze vogel genoemd — en kijk zowel omlaag als omhoog: beneden zwemt hij half onder water tussen de waterlelies, boven cirkelen er vaak enkele hoog op thermiek. In het eerste uur zon zit hij met open vleugels op een kale tak, en dan is hij van dichtbij en lang te bekijken. Zie je alleen een hals boven het water, wacht dan even af: hij duikt zonder plons en komt tientallen meters verderop weer boven.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt op twee miljoen vogels geschat en de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat tussen 1966 en 2019 een toename van bijna twee procent per jaar zien. Het verlies van moerasbos is de belangrijkste bedreiging: drooglegging, kanalisatie en het kappen van cipressen halen tegelijk het voedselgebied en de nestboom weg. Daarnaast raken de vogels verstrikt in achtergelaten vislijn, wat op drukbeviste wateren regelmatig gebeurt. In het zuiden van het areaal wordt hij plaatselijk vervolgd omdat hij vis eet, al is zijn aandeel in de vangst van viskwekerijen klein.
Wetenschappelijke naam
Anhinga anhinga | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Plotus anhinga; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anhinga was op dat moment al ingevoerd, in 1760 door Brisson, zodat geslachtsnaam en soortnaam nu gelijkluidend zijn — een vorm die in de vogelnamen maar zelden voorkomt. Het woord anhinga komt uit het Tupi van Brazilië, waar het een geest van het bos aanduidde en op deze vogel is overgegaan. Als herkomst gaf Linnaeus alleen 'in America australi' op, het zuidelijke deel van Amerika; Griscom en Greenway hebben die plaats in 1941 beperkt tot de Rio Tapajós in Pará, Brazilië.




