Alle soorten › Zangvogels › Heggenmussen › Bergheggenmus

Bergheggenmus | Prunella montanella

Siberian Accentor | Acentor siberiano

Een kleine, bruine vogel met een brede okergele wenkbrauwstreep die als een lamp in een donkerbruine kop staat, en met kin, keel en borst in datzelfde oker. Hij broedt in Siberië en overwintert in Oost-China en Korea; in dit gebied is hij een dwaalgast, die vooral in het najaar op de eilanden van westelijk Alaska opduikt. In de herfst van 2016 kwamen er ineens honderden naar Europa, en sindsdien wordt er ook aan deze kant van de Grote Oceaan scherper op gelet.

Bergheggenmus (Prunella montanella)
Foto: Jargal Lamjav — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Wie hem hier tegenkomt hoort meestal niet meer dan de roep: een ijl, hoog en licht trillend ti-ti-ti van drie tonen, dat uit een struik komt of van een overvliegende vogel en dat de wind gemakkelijk overstemt. Alarm is een kort, scherp tsjek. De zang, een hoge, snel geratelde zin van enkele seconden, wordt in het broedgebied gebracht vanaf de top van een dwergberk of een dode spar, vooral in de eerste uren na zonsopgang en vroeg in het seizoen; in Noord-Amerika is die nooit te verwachten. Doortrekkers en overwinteraars zwijgen vrijwel.

Luister: RoepXC115095

Opname: Grant Fisher — CC BY-NC-SA 3.0 · West Daejeon, South Korea · xeno-canto

Herkenning

De kop geeft de doorslag: een donkerbruine tot zwartachtige kruin en oorstreek, en daartussen een brede, scherp afgetekende okergele wenkbrauwstreep die tot in de nek doorloopt. Kin, keel en borst zijn effen okergeel, de flanken dragen roestbruine strepen en de buik is vuilwit. De rug is warmbruin met kastanjekleurige lengtestrepen, de stuit grijsbruin, en de vleugel toont twee smalle lichte streepjes op de dekveren. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar; het vrouwtje is iets valer en jonge vogels hebben een gestippelde borst. De snavel is dun en spits, wat op korte afstand meteen opvalt.

Verwarrings­soorten

De bosgors (Emberiza rustica), die uit dezelfde streek komt en op dezelfde plekken opduikt, heeft een kegelvormige snavel, een korte kuif, een witte keel en roestbruine strepen op een witte borst. Inheemse gorzen als de zanggors zijn groter, langer van staart en fijn gestreept op een lichte borst, zonder okergele kop. Bij een vluchtige waarneming is de kans op verwarring met een jonge inheemse gors het grootst; de effen okergele keel en borst en de dunne snavel geven de doorslag. De heggenmus (Prunella modularis) van Europa, met een grijze kop zonder wenkbrauwstreep, is in dit gebied niet te verwachten.

Leefgebied

Gebroed wordt in Siberië, in dwergberken- en wilgenstruweel aan de rand van het naaldbos en langs beken tot boven de boomgrens. In dit gebied is hij te vinden waar een verdwaalde vogel dekking en zaad vindt: een wilgenstruik in een dorp op een eiland in de Beringzee, een houtwal, een ruigte langs een beek. Vogels die in het binnenland van het noordwesten opduiken zitten vaak bij tuinvoederplanken, scharrelend tussen de gevallen zaden eronder.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van de Oeral oostwaarts door heel Siberië tot aan de Grote Oceaan; overwinterd wordt in Oost-China en Korea en in kleiner aantal in Mongolië. In dit gebied is hij een zeldzame maar vrijwel jaarlijkse verschijning op de eilanden van westelijk Alaska in het najaar; verder landinwaarts en zuidelijker gaat het om losse gevallen in Brits-Columbia, Washington, Idaho en Montana, in herfst, winter en voorjaar, waarbij een vogel soms een hele winter op dezelfde plek blijft. In oktober en november 2016 verscheen hij in ongekend aantal in Europa — ruim tweehonderd vogels, met eerste gevallen voor onder meer Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië — een invasie die in verband is gebracht met aanhoudende oostenwind uit Siberië. Op de kaart staat daarom alleen Alaska, als doortrekker; de overige gevallen liggen te verspreid om een eenheid te kleuren.

Waar en wanneer kijken

De kans doet zich vooral voor in het laatste derde van september en in oktober, in de wilgenbosjes van Gambell op Sint-Laurenseiland en op de Aleoeten, na dagen met wind uit het westen. Zoek laag: de vogel schuifelt over kale grond langs de rand van het struweel en vliegt bij verstoring een paar meter verder de dekking in. Buiten Alaska komt de melding meestal uit een tuin met een voederplank, en dan blijft de vogel vaak dagen zitten.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek: het broedgebied is uitgestrekt en de aantallen zijn groot en stabiel. Bedreigingen zijn nauwelijks in beeld; het broedgebied ligt grotendeels buiten het bereik van landbouw en bebouwing. Voor dit werelddeel valt er niets in stand te houden — de vogel broedt hier niet, en zijn verschijnen hangt af van wind en weer aan de overkant van de Beringzee.

Wetenschappelijke naam

Prunella montanella | (Pallas, 1776)

Pallas beschreef de soort in 1776 als Motacilla montanella, bij de kwikstaarten; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prunella werd in 1816 ingevoerd door Vieillot en gaat terug op het Duitse Braunelle, gevormd op braun 'bruin'. De soortnaam montanella is een verkleinwoord bij het Latijnse montanus, 'van de bergen'. De typelocatie is Daurië, de streek ten oosten van het Baikalmeer in Zuid-Siberië, waar Pallas op zijn reis door het Russische rijk verzamelde.