Alle soortenZangvogelsMussen › Ringmus

Ringmus | Passer montanus

Eurasian Tree Sparrow | Gorrión molinero

De ringmus is een Euraziatische mus die in Noord-Amerika teruggaat op één invoer: in april 1870 werden in St. Louis twaalf paar losgelaten. Meer dan anderhalve eeuw later zit de hele Noord-Amerikaanse populatie nog altijd in een klein gebied rond die stad, en is de soort daarmee een van de meest plaatsgebonden exoten van het continent.

Ringmus (Passer montanus)
Foto: Mike Prince — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is een reeks harde, heldere tsjip-notities, hoger en droger dan bij de huismus en zonder diens rollende toon. Ongepaarde mannetjes rijgen die notities aan elkaar tot een snelle, opgewonden reeks die als zang dienstdoet. In de vlucht klinkt een scherp, tweelettergrepig tek-tek dat de soort al in een gemengde mussengroep verraadt.

Luister: ZangXC1143702

Opname: Philippe_Grange — CC0 · Arrondissement of Bressuire (near Saint-André-sur-Sèvre), Deux-Sèvres, Nouvelle-Aquitaine, France · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, compacte mus, ongeveer een tiende kleiner dan de huismus, met een geheel kastanjebruine kruin en nek. De wangen zijn wit met een scherp afgetekende zwarte vlek in het midden, en een smalle witte halsband loopt om de nek; de keelvlek is klein en zwart. De rug is warmbruin met zwarte strepen, de vleugel heeft twee witte banden. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk getekend, wat de soort binnen dit geslacht uitzonderlijk maakt.

Verwarrings­soorten

Het huismusmannetje heeft een grijze kruin, een grijze wang zonder zwarte vlek en een veel grotere zwarte bef; het vrouwtje is dof grijsbruin met een lichte wenkbrauwstreep en mist elke kastanjekleur. De zwarte wangvlek op wit is bij de ringmus in elk kleed en op elke leeftijd aanwezig en is het snelste kenmerk. Waar de twee soorten in Missouri en Illinois samen op de grond foerageren, valt de ringmus bovendien op door zijn kleinere formaat en rondere kop.

Leefgebied

In Noord-Amerika boerenerven, houtwallen, dorpsranden, parken en bosjes langs de Mississippi en de Missouri, meestal met oude bomen of gebouwen die holten bieden. Anders dan de huismus mijdt hij de dichtbebouwde stadskern en zit hij liever in halfopen, licht bebost boerenland. Hij nestelt in boomholten, nestkasten, holle palen en gaten in schuren en voedt zich op de grond met zaad, graanresten en in de zomer met insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het natuurlijke areaal beslaat vrijwel heel Europa en Azië, van Portugal tot Japan en Java. De Noord-Amerikaanse populatie stamt van de vogels die in april 1870 in St. Louis werden losgelaten, als onderdeel van een zending Europese vogels voor Duitse immigranten. De soort breidde zich vandaar langzaam uit tot noordoostelijk Missouri, westelijk-centraal Illinois en zuidoostelijk Iowa, samen ongeveer 15.000 vogels. Buiten dat gebied gaat het om enkele zwervers; de aanwezigheid in Alaska komt van Aziatische vogels en staat los van de populatie in het Midwesten.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op boerenerven en in dorpjes ten noorden van St. Louis, langs de Mississippi in Missouri en Illinois, bij voederplaatsen in de winter. Scan gemengde groepen mussen op de zwarte wangvlek en tel op formaat: een mus die duidelijk kleiner en ronder is dan de rest is meestal deze soort.

Staat van instandhouding

Wereldwijd staat de soort als niet bedreigd te boek, al zijn de aantallen in West-Europa in de twintigste eeuw sterk gedaald door veranderingen in de landbouw. De Noord-Amerikaanse populatie is klein maar stabiel en blijft binnen een gebied van enkele honderden kilometers; de uitbreiding wordt vermoedelijk geremd door de talrijkere huismus, die de betere nestholten bezet. Omdat alle vogels afstammen van een handvol stichters, verschilt deze populatie in maat, genen en zang van de Duitse voorouders.

Wetenschappelijke naam

Passer montanus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla montana; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer is Latijn voor 'mus'. De soortnaam montanus betekent 'van de bergen', wat niet overeenkomt met het gebruik van de vogel, die vrijwel overal in het laagland zit. De Nederlandse naam verwijst naar de witte halsband; het Engelse tree sparrow en het Spaanse gorrión molinero slaan op de boomholten en op de molens en boerderijen waar de soort nestelt. De typelocatie 'in Europa' is later vastgelegd op Bagnacavallo bij Ravenna in Italië.