Alle soorten › Zangvogels › Muggenvangers › Blauwgrijze muggenvanger

Blauwgrijze muggenvanger | Polioptila caerulea

Blue-gray Gnatcatcher | Perlita azulgris

Tien centimeter, zes gram, en toch de vogel die in een half ontloken eikenbos in april het meest van zich laat horen. De blauwgrijze muggenvanger is de enige van zijn familie die tot in het oosten van het werelddeel broedt, en hij is in honderd jaar honderden kilometers naar het noorden opgeschoven.

Blauwgrijze muggenvanger (Polioptila caerulea)
Foto: Shenandoah National Park — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het bruikbaarst: een dun, nasaal en licht twangend pwie, vaak twee- of driemaal herhaald, dat onafgebroken klinkt terwijl de vogel foerageert en dat in het kroondak van ver te horen is. De zang staat daar tegenover: zo zacht dat men er binnen twintig meter voor moet staan, een langgerekt geprevel van piepjes en krassende toontjes waarin flarden van andere soorten zijn opgenomen. Er wordt vooral gezongen in de eerste weken na aankomst, van maart tot in juni. Bij het nest gaat het geluid over in een snel, boos ratelen zodra er iets nadert.

Luister: RoepXC1136174

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Mérida, Mérida Municipality, Yucatán, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Tien tot elf centimeter en vijf tot negen gram: kleiner dan bijna alles wat er in dezelfde boom zit. Blauwgrijs van boven, wit van onderen, met een gesloten witte oogring in een verder tekeningloos gezicht. De staart is lang en zwart met witte buitenpennen, zodat hij van onderaf gezien wit lijkt met een donkere middenstreep. In het voorjaar heeft het mannetje een smalle zwarte band die van de snavelbasis over het oog loopt — het enige verschil tussen de seksen, en in het najaar ook bij hem weg. Vrouwtje en winterkleed zijn grijzer, met wat bruin op de rug; jonge vogels zijn groenachtig grijs, en het fijne snaveltje is zwart met een lichte basis.

Verwarrings­soorten

De zwartstaartmuggenvanger (Polioptila melanura) van het zuidwesten heeft een van onderen vrijwel geheel zwarte staart met alleen witte pennentoppen, roept een schrapend tsjee-tsjee-tsjee en draagt in de zomer een volledige zwarte kap. P. californica van de kust van Zuid-Californië is nog donkerder onder de staart en miauwt als een jonge kat. Het roodkroonhaantje is even klein maar olijfgroen, met twee witte vleugelstrepen en een korte staart, en fladdert bij de takpunten ter plaatse. De struikmees heeft ook een lange staart, maar zonder wit en met een bruingrijs verenkleed, en reist in troepen.

Leefgebied

In het oosten open loofbos en de randen ervan, eiken- en hickoryruggen, houtwallen en oude wilgen langs rivieren; in het westen levende-eikbos, pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbes, chaparralhellingen en mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes) langs woestijnbeddingen. Hij werkt in het buitenste kroondak en heeft hoge struiken of bomen nodig, maar geen gesloten bos: het gaat om open takwerk met blad eraan. In de winter komt hij ook in doornstruweel, mangroverand en tuinen. Kaal akkerland en dicht naaldbos gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het zuiden van Ontario en Nieuw-Engeland westwaarts tot de Great Plains, en in het westen van Oregon en Wyoming zuidwaarts door het Grote Bekken en Californië tot diep in Mexico. De noordelijke helft van dat gebied loopt in de herfst leeg: overwinterd wordt er in het zuiden van de Verenigde Staten, in heel Mexico, in Belize, Guatemala, Honduras en El Salvador, en op Cuba, de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden en de Caymaneilanden. De noordgrens is in de twintigste eeuw sterk opgeschoven: pas na ongeveer 1950 broedde hij in Michigan, Nieuw-Engeland en het zuiden van Ontario. Ook in het westen breidt hij zich nog steeds uit.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Volg de roep. Loop in april langzaam door een eikenbos dat net in blad komt en luister naar dat dunne nasale toontje boven je; omdat de vogel geen ogenblik stilzit, laat hij zich meestal binnen een minuut zien. Het nest is een klein kommetje met korstmos bekleed, midden op een horizontale tak, dat op een knoest lijkt tot de vogel erop gaat zitten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een geschatte broedstand van honderdzestig miljoen vogels en sinds 1966 een lichte toename, vooral in het westen. De grootste last is de bruinkopkoevogel, die zijn eieren in het nest legt: een muggenvanger is te klein om zo'n ei eruit te werken en brengt de jonge koevogel groot. Het antwoord is een nieuw nest, vaak van het afgebroken materiaal van het oude.

Wetenschappelijke naam

Polioptila caerulea | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla caerulea, bij de kwikstaarten; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Polioptila werd in 1855 ingevoerd door Sclater, uit het Griekse polios, 'grijs', en ptilon, 'veer'. caerulea is Latijn voor 'blauw', naar de bovenzijde van het mannetje in het voorjaar. Als typelocatie staat Pennsylvania opgegeven, wat later is gelezen als Philadelphia.