Alle soortenZangvogelsMuggenvangers › Zwartstaartmuggenvanger

Zwartstaartmuggenvanger | Polioptila melanura

Black-tailed Gnatcatcher | Perlita del desierto

De zwartstaartmuggenvanger is de muggenvanger van de hete laagwoestijn: een grijs vogeltje van twaalf centimeter dat het hele jaar in hetzelfde doornstruweel blijft, in een paar dat bij elkaar blijft. Hij weegt ongeveer vijf gram en drinkt zelden; zijn vocht haalt hij uit wat hij vangt. De lange staart wordt aanhoudend zijwaarts geslagen, en juist die staart wijst hem aan: van onderen bijna geheel zwart.

Zwartstaartmuggenvanger (Polioptila melanura)
Foto: Vickie J Anderson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een raspend, knarsend tsjee-tsjee-tsjee van twee tot vier lettergrepen, harder en droger dan het miauwende tsjieuw van de blauwgrijze muggenvanger. De zang van het mannetje is een zachte, haastige reeks hoge tonen die in elkaar overlopen en zelden ver draagt; hij klinkt vooral van maart tot mei. De twee vogels van een paar houden met korte roepjes contact terwijl ze door het struweel schuiven, en dat geluid is meestal het eerste teken dat ze er zijn. Komt er een slang of een klapekster bij het nest, dan gaat de roep over in een aanhoudende ratel.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Het mannetje draagt van het vroege voorjaar tot de zomer een zwarte kap die tot onder het oog doorloopt; daarbuiten is hij grijs als het vrouwtje en verraadt hem hooguit een enkele zwarte veer op de kruin. Het vrouwtje en de wintervogels zijn blauwgrijs tot grijsbruin boven en vuilwit onder, met een dun wit oogringetje. De staart is lang en wordt voortdurend heen en weer geslagen; van onderen is hij bijna geheel zwart, met alleen witte toppen aan de buitenste pennen. De snavel is in alle kleden dun, recht en zwart, en de vogel blijft klein en slank, met een ronde kop. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn wat bruiner op rug en flanken.

Verwarrings­soorten

De blauwgrijze muggenvanger is het vaste probleem: zijn staart is van onderen grotendeels wit doordat de buitenste pennen geheel wit zijn, en zijn roep is een ijl, miauwend tsjieuw. Waar beide voorkomen zit de blauwgrijze hoger, in jeneverbes en eikenbos, en de zwartstaart in het lage doornstruweel van de vlakte. Aan de kust van Zuid-Californië komt Polioptila californica erbij: nog donkerder van onderstaart, en met een klagend geluid als van een jonge kat. De goudmees is even klein maar heeft een korte staart en een priemvormige snavel, en de struikmees heeft wel een lange staart, maar zonder zwart en wit, en reist in troepjes.

Leefgebied

Laag, droog struweel van de hete woestijnen: creosootstruik, mesquite, acacia en paloverde, het dichtst bevolkt langs droge beddingen waar de struiken het hoogst worden. In zuidelijk Texas gebruikt hij het doornstruweel van de Rio Grande. Kale vlakten zonder struiken laat hij liggen, en hoger in de bergen, waar jeneverbes en eik beginnen, houdt hij op. Anders dan de blauwgrijze muggenvanger verlaat hij zijn terrein niet: hetzelfde paar blijft het hele jaar op enkele hectaren rondscharrelen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het zuidwesten: zuidoostelijk Californië, zuidelijk Nevada, Arizona, New Mexico en west- en zuid-Texas, en zuidwaarts over het schiereiland Baja California en het droge noorden van Mexico tot Sinaloa, Zacatecas en San Luis Potosí. Hij trekt niet en zwerft nauwelijks; buiten dat gebied wordt hij zelden gezien. In de lagere Rio Grandevallei is het doornstruweel grotendeels omgezet in akkerland en is hij plaatselijk verdwenen. Waar het struweel blijft staan houdt hij stand, ook tussen de wijken van de woestijnsteden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Loop in de vroege ochtend een droge bedding af en luister naar het raspende tsjee-tsjee-tsjee; blijf dan stilstaan, want het paar komt vaak uit zichzelf kijken. Kijk van onderaf naar de staart — dat is het enige kenmerk dat in elk kleed en bij elk licht werkt. In de winter zakken er blauwgrijze muggenvangers naar dezelfde lage woestijn af, dus ook dan beslist de onderstaart en niet de plek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en over het geheel genomen stabiel. Rond de snel groeiende steden van Arizona en Californië verdwijnt het lage woestijnstruweel onder de bebouwing, en daar loopt hij terug; in de lagere Rio Grandevallei speelt hetzelfde met de omzetting naar akkerland. Omdat hij het hele jaar in de laagste, heetste woestijn blijft en zijn vocht uit zijn voedsel haalt, telt elke verdere verdroging van dat gebied voor hem dubbel.

Wetenschappelijke naam

Polioptila melanura | Lawrence, 1856

Lawrence beschreef de soort in 1856 als Polioptila melanura; auteur en jaartal staan zonder haakjes, en dat betekent dat ze nog altijd in het geslacht staat waarin ze is beschreven. Het geslacht Polioptila was een jaar eerder ingevoerd door Sclater, uit het Griekse polios, 'grijs', en ptilon, 'veer'. melanura komt van melas, 'zwart', en oura, 'staart'. Als typelocatie staat 'Texas' opgegeven, later ingeperkt tot de vallei van de Rio Grande.