Alle soorten › Zangvogels › Boomkruipers › Amerikaanse boomkruiper
Amerikaanse boomkruiper | Certhia americana
Brown Creeper | Trepadorcito americano
De enige boomkruiper van Amerika, en een vogel die men hoort of helemaal niet vindt. Hij valt pas op wanneer hij van boven uit een boom naar de voet van de volgende duikt: een klein bruin blaadje dat plotseling dwars door het bos vliegt en dan weer verdwijnt.
Geluid
De zang is een dunne, hoge, wat ijzerige strofe die in de kuststaten uit vier tot negen tonen bestaat en in de bergen van Zuid-Californië tot dertien kan oplopen; de streken verschillen zo sterk dat een westelijke zang voor een oostelijk oor niet meteen thuis te brengen is. Er wordt gezongen van januari tot in juli, meestal vanaf een stam en zelden vanaf een tak. De roep is één enkele, zeer lange en zeer hoge sieee, die in de winter voortdurend uit gemengde troepen klinkt. Wie in het veld leert welke van die piepjes van een boomkruiper zijn en welke van een haantje, vindt de vogel tienmaal zo vaak.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Minnesota Valley NWR, Bass Ponds, Hennepin, Minnesota, United States · xeno-canto
Herkenning
Twaalf tot veertien centimeter, vijf tot tien gram, met een spanwijdte van zeventien tot twintig centimeter. De onderzijde is zuiver wit op keel en borst en gaat op de flanken over in warm beige; de stuit is roestbruin en licht op bij het wegvliegen. Over het oog loopt een vage lichte streep, en de staart is lang en aan het eind vaak versleten. Westelijke vogels zijn donkerder en grijzer van onderen dan oostelijke, die tot op de flanken wit blijven. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn fijner gespikkeld op de rug.
Verwarringssoorten
De witborstboomklever (Sitta carolinensis) zit in dezelfde bomen maar is groter, blauwgrijs van boven, klimt met de kop omlaag en in elke richting, en heeft een rechte snavel en een korte staart. Het roodkroonhaantje roept bijna hetzelfde toontje, maar is olijfgroen, heeft witte vleugelstrepen en fladdert bij de takpunten in plaats van te klimmen. De bonte zanger (Mniotilta varia) kruipt in het oosten op dezelfde manier langs stam en takken, maar is scherp zwart-wit gestreept en loopt ook naar beneden. Een vogel die alleen omhoog klimt en steeds opnieuw onderaan begint, is de boomkruiper.
Leefgebied
Oud bos met zware bomen en staand dood hout: sparren- en hemlockbos in het noorden en de bergen, douglas en sequoia aan de westkust, gemengd loofbos en oud moerasbos in het oosten, en den-eikbos in de hooglanden van Mexico en Midden-Amerika. Waar het om gaat is dikke, loszittende schors; jonge gelijkjarige opstanden bieden die niet. Hij doet het het best waar dode en stervende bomen blijven staan. In de winter komt hij ook in parken en tuinen met grote bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Alaska door het hele boreale woud van Canada tot Newfoundland, in het westen zuidwaarts door de bergen tot Arizona en New Mexico, in het oosten tot in de Appalachen, en verder zuidwaarts in de hooglanden van Mexico, Guatemala, Honduras, El Salvador en Nicaragua, waar hij zijn zuidgrens bereikt op het hoogste massief van dat land. De noordelijkste vogels trekken in de herfst weg en verspreiden zich dan over vrijwel de hele Verenigde Staten; in het grootste deel van het areaal blijft hij het hele jaar. Er worden dertien ondersoorten onderscheiden, die van elkaar verschillen in tint en in de lengte van de zangstrofe.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de winter niet apart maar in een gemengde troep mezen: de boomkruiper hangt achteraan en komt een halve minuut later langs dezelfde stam. Kijk naar de onderste twee meter van een dikke stam en wacht op beweging — zolang de vogel stilzit is hij er niet. Bereikt hij de takken, dan duikt hij naar beneden; volg die vlucht en je weet welke boom je vervolgens moet bekijken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een geschatte broedbevolking van elf miljoen vogels en sinds 1966 een stabiele tot licht stijgende trend. Wat hem raakt is houtkap: het verdwijnen van grote levende bomen om op te foerageren en van dode bomen om achter te nestelen, en vooral het opruimen van dood hout na brand of storm. In delen van het oosten heeft hij juist geprofiteerd van bomen die door iepziekte en vraat zijn afgestorven.
Wetenschappelijke naam
Certhia americana | Bonaparte, 1838
Bonaparte gaf de soort haar naam in 1838, in een lijst waarin hij de vogels van Europa en Noord-Amerika naast elkaar zette; het punt van de naam was dat de Amerikaanse vogel niet dezelfde was als de Europese boomkruiper. Auteur en jaartal staan niet tussen haakjes, want Certhia americana staat nog in het geslacht waarin ze is beschreven. Certhia werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd en gaat terug op het Griekse kerthios, een klein klimmend boomvogeltje dat Aristoteles noemt. americana betekent 'van Amerika'. Als typelocatie geeft Bonaparte 'de oostelijke en noordelijke delen van Noord-Amerika' op — een heel werelddeel breed.




