Alle soorten › Stormvogelachtigen › Zuidelijke stormvogeltjes › Bont stormvogeltje

Bont stormvogeltje | Pelagodroma marina

White-faced Storm-Petrel | Paíño pechialbo

Het bont stormvogeltje is de enige stormvogeltje-achtige met een wit gezicht en een zwart oogmasker, wat hem iets van het aanzien van een miniatuurfranjepoot geeft. Hij broedt op tientallen kleine, meest onbewoonde eilanden verspreid over de Atlantische, Indische en Grote Oceaan en de zuidelijke wateren, en dwaalt slechts zelden zo ver naar het noorden af dat hij bij Noord-Amerika wordt gezien.

Bont stormvogeltje (Pelagodroma marina)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op open zee, waar vrijwel elke Noord-Amerikaanse waarneming vandaan komt, is het bont stormvogeltje stil. Op de broedeilanden komt hij alleen in het donker aan land, en dan klinkt uit de nestholen een schril, kwetterend geroep dat ver draagt over de kolonie. Boven zee laat hij zich eerder aan zijn manier van vliegen dan aan geluid herkennen.

Luister: ZangXC565412

Opname: Rinse van der Vliet — CC BY-NC-SA 4.0 · Selvagem Grande, Ilhas Selvagens, Portugal · xeno-canto

Herkenning

Van boven is hij grijsbruin met een lichtere, grijzere stuit, van onder helder wit; kenmerkend is het witte gezicht met een scherp afgetekend zwart oogmasker. De poten zijn lang, met geelbruine, half gewebde voeten die tijdens het foerageren ver voorbij de staart uitsteken. In de vlucht stuitert hij met neergelaten poten over het wateroppervlak, met korte, veerkrachtige sprongen die aan een springend geitje doen denken - een vluchtbeeld dat geen andere stormvogeltjessoort in dit gebied vertoont. Mannetjes en vrouwtjes zijn gelijk gekleurd; het juveniele kleed verschilt nauwelijks van het volwassen kleed.

Verwarrings­soorten

In de wateren voor de Amerikaanse oostkust waar het bont stormvogeltje soms opduikt, wordt hij vooral vergeleken met het madeirastormvogeltje (Hydrobates castro) en het Wilsons stormvogeltje (Oceanites oceanicus), maar het witte gezicht en de zwarte oogstreep zijn bij geen van beide aanwezig. Belangrijker nog is het vluchtbeeld: waar het bont stormvogeltje met bungelende poten over het water stuitert, fladderen en pateren de andere soorten laag over het oppervlak zonder die duidelijke sprongen. Op grote afstand, tegen fel licht, kan de lichte onderzijde toch voor verwarring zorgen.

Leefgebied

Hij brengt vrijwel zijn hele leven door op open oceaan, ver van enige kust, waar hij overwegend kleine, in de schemerzone levende visjes en inktvisjes van het wateroppervlak pikt. Broeden doet hij uitsluitend op afgelegen, meestal onbegroeide of laag begroeide eilanden ver buiten dit gidsgebied, waar hij een holletje in de grond graaft. Aan de kust van Noord-Amerika komt hij niet voor; alleen tijdens zeetochten ver voor de kust is hij, hoogst incidenteel, te zien.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De soort broedt verspreid over eilanden in vrijwel alle oceanen: van de Kaapverdische Eilanden, de Canarische Eilanden en de Ilhas Selvagens in de Atlantische Oceaan tot eilanden bij Australië, Nieuw-Zeeland, de Kermadec-eilandengroep en de Tristan da Cunha-groep in het zuiden. Binnen dit gidsgebied is hij uitsluitend bekend van een handvol waarnemingen in de koelere wateren voor North Carolina, geconcentreerd tussen eind juli en begin oktober met een piek in augustus; ondanks talrijke pelagische boottochten sinds 2000 blijven meldingen schaars. Van een vaste doortrek is dan ook geen sprake.

Waar en wanneer kijken

Wie hem wil zien moet niet de gebruikelijke warme Golfstroom-tochten voor North Carolina boeken, maar juist een van de enkele tochten per jaar die bewust de koelere wateren erbuiten opzoeken, eind zomer. Let dan op een klein, stuiterend stormvogeltje met een wit gezicht boven het kielzog.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt geschat op ruim 2,7 miljoen vogels en de IUCN beoordeelt de soort als niet bedreigd (LC). Op eilanden waar katten, ratten of andere ingevoerde roofdieren zijn binnengekomen, zijn kolonies in het verleden wel verdwenen of sterk geslonken; op predatorvrije eilanden is de soort talrijk en stabiel.

Wetenschappelijke naam

Pelagodroma marina | (Latham, 1790)

Latham beschreef de soort in 1790 als Procellaria marina; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pelagodroma, 'zeeloper', werd pas in 1855 ingevoerd door Reichenbach en verwijst naar de rennende, stuiterende manier van vliegen boven het water. De typelocatie lag oorspronkelijk vaag in 'de zuidelijke oceanen'; in 1924 beperkte Murphy haar tot de wateren bij de monding van de Río de la Plata, tussen 35° en 37° zuiderbreedte.