Alle soortenStormvogelachtigenZuidelijke stormvogeltjes › Wilsons stormvogeltje

Wilsons stormvogeltje | Oceanites oceanicus

Wilson's Storm-Petrel | Paíño de Wilson

Het Wilsons stormvogeltje is een van de talrijkste vogels ter wereld — de schattingen lopen van acht tot twintig miljoen — en toch broedt er in Noord-Amerika geen enkel paar. Het is een vogel van twee zomers: hij broedt in de zuidelijke zomer rond Antarctica en brengt de noordelijke zomer voor de Atlantische kust van dit werelddeel door. Wie in juli een boottocht naar diep water maakt, ziet meestal deze soort en geen andere.

Wilsons stormvogeltje (Oceanites oceanicus)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee is hij bijna altijd stil, en wat er te horen valt gaat in de wind en de motor verloren. Bij een voedselvlek waar tientallen vogels bij elkaar zitten klinkt een zacht, snel pi-pi-pi, meer gepiep dan roep, dat pas hoorbaar wordt als de boot de motor uitzet. In de kolonie, op het zuidelijk halfrond, komt uit de spleet onder de rotsblokken een aanhoudend gekwetter met een ratelend slot, en in de lucht erboven een hoog, herhaald tsjie. In dit gebied hoeft niemand op geluid te rekenen: hier is het een vogel om te zien.

Luister: ZangXC863014

Opname: Kevin Guille — CC0 · Mayes island, France · xeno-canto

Herkenning

Een klein, roetzwart zeevogeltje met een brede, zuiver witte stuit die tot in de flanken en op de onderstaartdekveren doorloopt, zodat het wit van opzij als een band om de achterhand ligt. De staart is recht afgesneden, zonder inkeping, en de vleugels zijn kort en aan het uiteinde afgerond; over de bovenvleugel loopt een vage, vaalbruine band. Het beste kenmerk zit aan de voeten: de zwemvliezen tussen de tenen zijn geel, en bij een vogel die vlak langs de boot komt is dat op korte afstand werkelijk te zien. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk, en jonge vogels zijn niet van volwassen te onderscheiden.

Verwarrings­soorten

Het vaal stormvogeltje (Hydrobates leucorhous) is groter en langvleugeliger, heeft een gevorkte staart, een smallere witte stuit met vaak een donkere middenstreep, en een onregelmatige, stuiterende vlucht. Het madeirastormvogeltje (Hydrobates castro) heeft een scherp begrensde witte stuitband die niet op de flanken doorloopt, een ondiepe vork in de staart en een gestrekte, scherende vlucht. Het Europees stormvogeltje (Hydrobates pelagicus), zeldzaam in het westen van de Atlantische Oceaan, is nog kleiner en heeft een opvallende witte streep over de ondervleugel. Op grote afstand worden ook zwemmende franjepoten voor stormvogeltjes aangezien; die liggen op het water in plaats van erboven.

Leefgebied

Warm water boven de rand van het continentaal plat en langs de binnenrand van de Golfstroom, waar het water schuift en het voedsel zich aan het oppervlak verzamelt; ondiep kustwater vermijdt hij, en van het land moet hij hier niets hebben. Hij verzamelt zich bij alles wat aan het oppervlak drijft of daar iets omhoog brengt: bij walvissen, bij een school jagende tonijn, achter een vissersboot en boven een vetvlek die vogelaars zelf uitgooien. Om te broeden gebruikt hij spleten en holten onder rotsblokken op ijsvrije kusten van Antarctica en de eilanden daaromheen — dat gebeurt buiten dit gebied, aan de andere kant van de wereld.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van november tot maart op Antarctica en de subantarctische eilanden, van Zuid-Georgië en de Zuidelijke Shetlandeilanden tot Kerguelen, en steekt daarna noordwaarts de evenaar over. Voor de Atlantische kust van Noord-Amerika verschijnt hij in mei, is hij van juni tot augustus talrijk en verdwijnt hij in de loop van september weer zuidwaarts; ook in de diepe Golf van Mexico is hij dan gewoon. Voor de Grote Oceaan is hij zeldzaam en aan de kust van Californië nauwelijks te verwachten. De kaart kan zijn broedgebied niet laten zien, want dat ligt buiten het venster; wat er staat is de zee waar hij hier werkelijk zit, gekleurd als niet-broedvogel — al valt zijn verblijf hier midden in onze zomer.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga tussen half juni en half augustus mee met een dagtocht vanaf Cape Hatteras, Cape May, Long Island of Massachusetts en let op de vogels die op de vetvlek achter de boot afkomen: negen van de tien stormvogeltjes zijn dan deze soort. Juist daarom loont het ze te tellen en langs te kijken — de zeldzamere soorten zitten ertussen, en het verschil zit in staartvorm en vleugellengte. Vanaf het land is hij vrijwel niet te zien, behalve na een tropische storm die vogels de baaien in drijft.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd op de Rode Lijst en is met acht tot twintig miljoen vogels een van de talrijkste soorten die er zijn; hoe het aantal zich ontwikkelt weet niemand, want kolonies op Antarctica zijn nauwelijks te tellen. Bedreigingen zijn er wel: ingevoerde ratten en katten op de broedeilanden, plastic en zware metalen die zich in het voedsel ophopen, en de visserij op krill, precies het diertje waar deze vogel van leeft. Daarbij komt de opwarming van de Zuidelijke Oceaan, die het zee-ijs en daarmee de krill verplaatst; wat dat voor een vogel van deze aantallen betekent, is nog niet te zeggen.

Wetenschappelijke naam

Oceanites oceanicus | (Kuhl, 1820)

Heinrich Kuhl beschreef de soort in 1820 als Procellaria oceanica, bij de stormvogels; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oceanites werd in 1840 ingevoerd door Keyserling en Blasius en verwijst naar de Oceaniden, de zeenimfen uit de Griekse verhalen; de soortnaam komt van het Latijnse oceanus 'oceaan'. Kuhl gaf geen typelocatie op — hij beschreef de vogel zonder te zeggen waar hij vandaan kwam; Murphy wees daarom in 1918 Zuid-Georgië aan. De Nederlandse en de Engelse naam eren Alexander Wilson, de Schots-Amerikaanse grondlegger van de vogelkunde van dit werelddeel.