Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Brandingloper
Brandingloper | Calidris virgata
Surfbird | Playero de Rompientes
De brandingloper is een gedrongen grijze strandloper van rotsen in de golfslag, met een korte dikke snavel met gele basis en korte groengele poten. Hij broedt hoog in de bergen van Alaska en Yukon, op kale hellingen vlak onder de toppen, en brengt de rest van het jaar door op natte rotsplaten langs de Grote Oceaan. Weinig steltlopers leggen hun twee halfjaren zo ver uit elkaar: steenpuin boven de boomgrens tegenover de branding.
Geluid
Op de broedgronden zingt het mannetje een op en neer gaande reeks schorre, aan een stern herinnerende die-derr-motieven, die aan het eind omhoogschiet. Daar klinkt ook een nasaal, lachend rijtje tonen dat in toonhoogte oploopt, met daartussen korte klokkende tikjes en een hoge schreeuw. Aan de winterkust is dit een stille vogel: een groep die op een rots wacht tot het water zakt, laat vaak niets horen. Wie er dichtbij komt, hoort tussen het eten door hooguit een zacht, hoog kip. Vliegt de groep op, dan draagt het geruis van de vleugels verder dan de stem.
Opname: Davyd Betchkal — CC BY-NC-SA 4.0 · Fang Mountain, United States · xeno-canto
Herkenning
In broedkleed is de bovenzijde een gespikkeld mengsel van licht, donker en roestbruin, met grote roestbruine schouderveren, en zijn kop en onderdelen wit met zwarte strepen en pijlpunten over borst, flanken en buik. In winterkleed valt die tekening weg: de vogel is dan vuil grijsbruin van boven en over de borst, met een witte kin en een witte buik met wat strepen. De snavel is kort, recht en dik, zwart met een duidelijk gele basis; de poten zijn kort, stevig en groengeel. In de vlucht is de staart wit met een brede zwarte eindband, en loopt er een smalle witte streep over de vleugel. De geslachten zien er hetzelfde uit; jonge vogels zijn bleker dan volwassen wintervogels, met fijne lichte veerzomen op rug en vleugel. Op de rots oogt hij kortnekkig en zwaar, en wrikt hij met de stompe snavelpunt zeepokken en slakken los.
Verwarringssoorten
De zwarte steenloper (Arenaria melanocephala) zit op dezelfde rotsen maar is donkerder, heeft dofrode poten en toont in de vlucht een witte wig over de rug, die de brandingloper mist. De Beringstrandloper (Calidris ptilocnemis) is kleiner en slanker, met een langere snavel die aan de punt iets naar beneden buigt, en zonder de zware kop en de dikke snavelbasis. De Amerikaanse grijze ruiter (Tringa incana) is egaal grijs, langer van poot en snavel, en laat in de vlucht geen enkel wit zien. De steenloper (Arenaria interpres) heeft helder oranje poten en een gevlekt koppatroon. Bij twijfel op afstand beslist het silhouet: geen andere vogel op die rotsen heeft zo'n korte, dikke snavel.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Buiten de broedtijd is dit een vogel van harde ondergrond in de getijdenzone: door golfslag gespoelde rotsplaten, riffen, keienstranden en de wierrand van eilandjes, en verder havenhoofden, pieren en golfbrekers. Hij eet daar vooral zeepokken, alikruiken en kleine tweekleppigen, die hij met de stompe snavel van de steen wrikt en in hun geheel doorslikt. Aangrenzend zand en slik gebruikt hij ook, maar alleen binnen zicht van rots om op te rusten. Broeden doet hij ver van zee, op alpiene toendra tussen ongeveer 150 en 1800 meter: steile hellingen en ruggen dicht bij de top, met korstmos, mos en dwergstruikjes tussen het steenpuin. Open zee en bos slaat hij over.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt in de bergen van het vasteland van Alaska, op het uiterste noorden na, en in het noordwesten van Yukon; het eerste nest werd pas in 1926 in het binnenland van Alaska gevonden. Al vanaf juli trekt hij naar de kust, en in het voorjaar verzamelt een groot deel van de soort zich in Prince William Sound en Kachemak Bay, waar hij zich volvreet aan haringkuit. Overwinteren doet hij op rotskusten langs de hele Grote Oceaan, van zuidoostelijk Alaska tot Vuurland. Verreweg het grootste deel van dat winterareaal ligt langs de kusten van Peru en Chili en valt daarmee buiten deze kaart; wat de kaart laat zien is de noordelijke punt van een lint van vijftienduizend kilometer. In het binnenland is hij vrijwel onbekend.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen september en april op een golfbreker of een wierbedekte rotsplaat, een paar uur voor of na laagwater, meestal in gemengd gezelschap met zwarte steenlopers. Let op twee dingen tegelijk: de gele basis van de korte dikke snavel en de groengele poten. Vliegt de groep op, dan noemt de witte staart met de brede zwarte eindband de soort meteen.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 70.000 broedvogels en houdt de zorg om de soort gering; de Rode Lijst voert hem als niet bedreigd (LC). De kwetsbaarheid zit niet in het aantal maar in de opeenhoping: in het voorjaar staat een groot deel van de soort op een handvol baaien in de Golf van Alaska, waar één olieramp veel vogels tegelijk raakt. Verstoring van rotskusten en het opschuiven van de getijdenzone door een stijgende zeespiegel worden daarnaast als bedreiging genoemd. Doordat hij op ontoegankelijke bergtoendra broedt, is de trend slecht te meten.
Wetenschappelijke naam
Calidris virgata | (Gmelin, 1789)
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Tringa virgata, in de dertiende uitgave van het Systema Naturae; sinds ze in het geslacht Calidris is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lange tijd stond ze in een eigen geslacht, Aphriza, gevormd uit het Griekse aphros, 'zeeschuim', en zaō, 'leven': de vogel die in het schuim leeft. virgata is Latijn voor 'gestreept', van virga, 'twijg' of 'streep', naar de strepen en pijlpunten op de onderdelen. Het beschreven exemplaar kwam uit Prince William Sound in Alaska, dezelfde baai waar de soort zich nu nog met duizenden tegelijk verzamelt. Het geslacht Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, bij Aristoteles de naam van een grijs gespikkelde vogel van de waterkant.




