Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kanoet
Kanoet | Calidris canutus
Red Knot | Correlimos gordo
De kanoet is een gedrongen, kortpotige strandloper die in het voorjaar oranjerood van onderen is en in de winter effen grijs; op de wadplaten van beide kusten valt hij dan vooral op door zijn compacte bouw en zijn korte rechte snavel. Hij vliegt in enkele lange etappes van de hoge arctische toendra naar het uiterste zuiden van Zuid-Amerika, met tussenstops op plekken waar in korte tijd veel voedsel is te halen. Die afhankelijkheid van een handvol plekken heeft één van zijn drie Noord-Amerikaanse vormen in de problemen gebracht.
Geluid
De vluchtroep is een zacht, laag knut of kwet, vaak nauwelijks hoorbaar; een groep die opvliegt maakt eerder geluid met de vleugels dan met de stem. Bij het foerageren klinkt daarnaast een kort, nasaal kek-kek tussen de vogels door. Op de broedgronden zingt het mannetje in een hoge, langzame baltsvlucht een melancholiek, ver dragend poe-mie... poe-mie, met lange tussenpozen, terwijl hij op geheven vleugels boven de kale toendra zweeft. In het zuiden hoor je hem zelden: op de wadplaten is dit een van de stilste steltlopers.
Opname: Arend Wassink — CC BY-NC-SA 4.0 · De Cocksdorp, Texel, Noord-Holland, Netherlands · xeno-canto
Herkenning
In broedkleed zijn gezicht, hals, borst en buik warm oranjerood, en is de bovenzijde een fijn patroon van zwart, goudbruin en grijs met roestbruine veerzomen. In winterkleed is de vogel effen bleekgrijs van boven en wit van onderen, met een fijn grijs waas over de borst en een lichte wenkbrauwstreep. De snavel is recht, zwart, ongeveer even lang als de kop en aan de basis duidelijk dikker dan bij de kleinere strandlopers; de poten zijn kort en donkergrijs tot olijfgroen. Het silhouet is dat van een zware, kortnekkige vogel die laag over het slik loopt en met korte, snelle stoten boort. Jonge vogels hebben nette, donker afgezette veerzomen die de rug een schubbig aanzien geven, en vaak een zweem geel op de poten. In de vlucht is de vleugelstreep smal en zijn stuit en staart licht grijs, zonder scherp contrast.
Verwarringssoorten
De grote kanoet (Calidris tenuirostris), in westelijk Alaska een gast uit Azië, is groter en langer van snavel en heeft in broedkleed zwarte vlekken op de borst en witte in plaats van rode onderdelen. De bonte strandloper (C. alpina) is kleiner en slanker, met een langere snavel die aan de punt naar beneden buigt. De kleine grijze snip (Limnodromus griseus) heeft een veel langere rechte snavel en een witte wig over de rug, die de kanoet mist. In winterkleed is de effen bleekgrijze bovenzijde zonder tekening, samen met de korte snavel en de gedrongen bouw, het snelste kenmerk.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Buiten de broedtijd is dit een vogel van grote wadplaten: het slik van estuaria en baaien, brede zandstranden bij laag water, de randen van lagunen en zoutpannen, en langs sommige tropische kusten de modder voor de mangrove. Hij eet vooral kleine tweekleppigen, die hij met de snavelpunt in het slik voelt en in hun geheel doorslikt; de schelpen worden in een zware maag vermalen. Op enkele plekken leeft hij in het voorjaar bijna uitsluitend van eieren — van de degenkrab in Delaware Bay, van de grunion aan de westkust — omdat hij in korte tijd zijn gewicht moet verdubbelen. Broeden doet hij op droge, schaars begroeide hoge toendra: grindruggen en hellingen met korstmos en dwergwilg, meestal een eind van de kust af.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In Noord-Amerika komen drie ondersoorten voor, elk met een eigen weg. Calidris canutus subsp. rufa broedt in het midden van de Canadese arctis, van de eilanden in het noorden van de Hudsonbaai over Prince Charles Island tot Victoria Island, en overwintert van het zuidoosten van de Verenigde Staten en het Caraïbisch gebied tot de kust van Argentinië en Vuurland. Subsp. islandica broedt op de hoogarctische eilanden van Canada en in het noorden van Groenland en verlaat het werelddeel: die vogels overwinteren in West-Europa. Subsp. roselaari broedt op het Seward-schiereiland in westelijk Alaska en op Wrangel, en trekt langs de Grote Oceaan naar Neder-Californië en verder zuidwaarts. Daardoor kan dezelfde soort in mei op drie kusten tegelijk staan zonder dat de vogels iets met elkaar te maken hebben.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste tijd is de tweede helft van mei aan Delaware Bay: bij opkomend tij staan de vogels in oranjerood broedkleed dicht opeen op het strand en eten ze onafgebroken. Buiten dat seizoen zoek je hem op een brede wadplaat bij laag water, in een aparte groep die trager en zwaarder oogt dan de strandlopers ernaast. Let bij een grijze vogel op drie dingen tegelijk: korte rechte snavel, korte hals en effen bovenzijde zonder tekening.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst voert de soort als gevoelig (NT), de trede onder bedreigd; wereldwijd wordt de broedpopulatie op ongeveer een miljoen vogels geschat en is meer dan de helft in vijftig jaar verdwenen. De vorm rufa stortte rond de eeuwwisseling in toen de degenkrab in Delaware Bay op grote schaal werd gevangen en er in het voorjaar te weinig eieren overbleven; sinds 2014 is die ondersoort in de Verenigde Staten federaal beschermd als bedreigd. De vangst van degenkrabben is daarna aan regels gebonden en de aantallen op de baai zijn niet verder gedaald, maar van herstel tot het oude niveau is geen sprake. Daarnaast tellen zeespiegelstijging op de overwinteringskusten en jacht in delen van het Caraïbisch gebied en Zuid-Amerika mee.
Wetenschappelijke naam
Calidris canutus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa canutus; sinds ze in het geslacht Calidris is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, bij Aristoteles de naam van een grijs gespikkelde vogel van de waterkant; het geslacht werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Over canutus lopen de verklaringen uiteen: het wordt in verband gebracht met de Deense koning Knoet, en het is ook opgevat als een nabootsing van de zachte roep knut. De typelocatie werd als Europa opgegeven en later beperkt tot Zweden. De beschrijving staat in het eerste deel van de tiende uitgave van het Systema Naturae.




