Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Steenloper

Steenloper | Arenaria interpres

Ruddy Turnstone | Vuelvepiedras común

De steenloper is de gedrongen steltloper die op bijna elke vloedlijn ter wereld te vinden is: kort van poot, oranje van poot, met een korte spitse snavel waarmee hij wier, stenen en aangespoeld afval omkeert. In broedkleed draagt hij een bont patroon van roestbruin, zwart en wit dat geen andere strandvogel van het werelddeel heeft. Hij broedt op de kale toendra van het hoge noorden en overwintert langs bijna elke kust tussen Massachusetts en Vuurland.

Steenloper (Arenaria interpres)
Foto: Bengt Nyman — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een laag, ratelend toek-a-toek-toek, hard en droog, dat uit een opvliegende groep als een salvo klinkt. Daarnaast heeft hij een scherp, staccato kwit-it-it dat hij bij onrust op de vloedlijn herhaalt. Op de toendra klinkt in de baltsvlucht een langzame, snorrende triller die met korte tussenpozen wordt herhaald, en bij het nest een hard tjek als er een jager overkomt. De roep is lager en voller dan die van de zwarte steenloper, en op een gedeelde rotskust is dat verschil bruikbaarder dan het verenkleed. Buiten de broedtijd hoor je vooral het ratelende geluid van een groep die van de ene steenrand naar de andere verkast.

Luister: VluchtroepXC1179545

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Spurn Bird Observatory, Kilnsea, United Kingdom · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed is de bovenzijde een bont mengsel van roestbruin, zwart en wit, is de kop wit met een zwart patroon over voorhoofd, wang en borst, en is de onderzijde vanaf de borst wit. In winterkleed verdwijnt het roestbruin en wordt de vogel donker grijsbruin van boven, met een donkere borstband die in het midden een lichte wig laat. De poten zijn in elk kleed helder oranje, de snavel kort, zwart, spits en aan de punt licht opgewipt. Het mannetje heeft in de zomer een wittere kop dan het vrouwtje, dat meer bruin op kruin en wang houdt; jonge vogels zijn doffer, met nette lichte veerzomen. In de vlucht is het patroon kenmerkend: een witte streep over elke vleugel, een witte wig over de rug en een witte staart met een zwarte band. Op de grond loopt hij laag en gedrongen, met korte snelle stappen, en wipt hij stenen en wierslierten met een zijwaartse duw van de snavel om.

Verwarrings­soorten

De zwarte steenloper (Arenaria melanocephala) van de westkust is in winterkleed egaal zwartbruin zonder tekening op de kop en heeft dofrode in plaats van oranje poten. De brandingloper (Calidris virgata) is grijzer en forser, met een dikkere snavel met gele basis en zonder de witte wig over de rug. De bonte strandloper (C. alpina) is slanker, langer van snavel en zwart van poot, en boort in het slik in plaats van te wippen. Twijfel je bij een gemengde groep in winterkleed, dan zijn de oranje poten en de in het midden onderbroken donkere borstband samen genoeg.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Buiten de broedtijd gebruikt hij bijna elke kust waar iets ligt om om te keren: wierbedekte rotsplaten en keienstranden, zandstranden met aanspoelsel, slikplaten van estuaria, pieren, havenhoofden en de betonnen randen van havens. Hij loopt ook over kwelders en langs de randen van zoutpannen, en op doortrek verschijnt hij op de oevers van de grote binnenmeren. Wat hij zoekt is een rand met beschutting eronder — steen, wier, schelpgruis of aangespoeld hout — en niet het open, gladde slik waar de strandlopers op boren. Broeden doet hij op de kale, stenige toendra van het hoge noorden, meestal dicht bij de kust of bij een poel, met het nest in een ondiepe kuil tussen mos en steenbrokken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

In Noord-Amerika broedt hij op de arctische eilanden en langs de noordkust, van westelijk Alaska oostwaarts door Nunavut tot Groenland, met twee vormen die elkaar ruwweg bij de Mackenzie aflossen. De trek gaat over een breed front: een deel volgt de Atlantische kust, een deel steekt over de Grote Meren en de prairie, en de vogels van Alaska volgen de Grote Oceaan of vliegen door naar de eilanden van de Stille Zuidzee. Overwinteren doet hij langs beide kusten vanaf Massachusetts en Washington zuidwaarts, door Mexico en het hele Caraïbisch gebied tot in Zuid-Amerika; op Hawaï is hij een gewone wintergast. In het voorjaar verzamelen grote aantallen zich rond Delaware Bay, waar ze zich net als de kanoet aan de eieren van de degenkrab tegoed doen. Zijn areaal is in de laatste eeuw niet veranderd; de aantallen wel.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem het hele jaar door op de rand van een pier of een golfbreker bij laag water: hij loopt er rustig rond en laat mensen dichterbij komen dan welke andere steltloper ook. In mei zijn de vogels in vol broedkleed en zijn de mannetjes aan hun wittere kop van de vrouwtjes te onderscheiden. Let op de manier van foerageren: geen enkele andere strandvogel duwt met de snavel stenen en wierslierten opzij.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als gevoelig (NT), de trede onder bedreigd, en de wereldpopulatie wordt op ongeveer 600.000 broedvogels geschat. In Noord-Amerika is meer dan de helft van de vogels in vijftig jaar verdwenen, en de soort staat daarmee op de lijst van vogels op een kantelpunt. De bedreigingen liggen meer op de trekroute dan in het broedgebied: verlies van kust en kwelder, de teruggang van de degenkrab in Delaware Bay, en ingeslikt plastic op de vloedlijn. Omdat hij zich op enkele plekken sterk concentreert, telt elke verandering op zo'n plek voor een groot deel van de populatie.

Wetenschappelijke naam

Arenaria interpres | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa interpres; sinds ze in het geslacht Arenaria is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Arenaria is afgeleid van het Latijnse arena, 'zand', en betekent dus zoiets als 'die van het zand'. interpres is Latijn voor 'tolk' of 'boodschapper'; Linnaeus nam het woord over uit een Zweedse beschrijving waarin de roep van de vogel werd opgevat als een waarschuwing aan de andere vogels op het strand. De typelocatie werd oorspronkelijk als Europa en Noord-Amerika opgegeven en later beperkt tot Gotland in Zweden. De beschrijving staat in het eerste deel van de tiende uitgave van het Systema Naturae.