Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Zwarte Steenloper

Zwarte Steenloper | Arenaria melanocephala

Black Turnstone | Vuelvepiedras Negro

De zwarte steenloper is de donkere steltloper van de rotsen aan de Grote Oceaan: bijna zwart van boven, wit van onderen, met korte roodbruine poten en een korte spitse snavel waarmee hij stenen en wier omkeert. Hij broedt vrijwel uitsluitend op de kustvlakte van westelijk Alaska en overwintert op de brandingrotsen van de westkust. Van alle steltlopers van het werelddeel heeft hij het kleinste areaal.

Zwarte Steenloper (Arenaria melanocephala)
Foto: Gregory "Greg" Smith — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hoge, ratelende triller, skirrr, droog en licht knetterend, die uit een groep op de rotsen als een aanhoudend geritsel klinkt. Bij het opvliegen wordt dat korter en scherper, tjik-tjik-tjik, meestal in series van drie of vier. Boven het broedgebied cirkelt het mannetje op trillende vleugels met een langgerekt, zoemend trrrrrrieee dat over de zeggevelden draagt. Bij het nest klinkt een hard, kort tjek zodra er een jager overkomt. De roep lijkt op die van de steenloper maar is hoger en droger, en op een rotskust waar beide soorten zitten is dat verschil de snelste weg naar de naam.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

In broedkleed is de vogel leizwart op kop, borst en bovenzijde, met een witte vlek tussen oog en snavel, een witte wenkbrauwstreep en witte spikkels over de borstzijden. In winterkleed vallen die witte tekeningen weg en is hij egaal zwartbruin, met een scherpe grens naar de witte buik. De snavel is kort, recht, spits en geheel zwart; de poten zijn kort en dofrood tot bruinrood, nooit helder oranje. In de vlucht is het patroon uitgesproken: twee witte strepen over elke vleugel, een witte wig over de rug, en een witte staart met een brede zwarte band aan het eind. De geslachten zien er hetzelfde uit; jonge vogels zijn doffer bruinzwart met smalle lichte veerzomen. Op de rots loopt hij laag en gedrongen, en wipt hij stenen en wierslierten met een zijwaartse duw van de snavel om.

Verwarrings­soorten

De steenloper (Arenaria interpres) staat op dezelfde rotsen: in winterkleed is die bruiner en lichter, met een gevlekt koppatroon, een donkere borstband die in het midden een lichte wig laat, en helder oranje poten. De brandingloper (Calidris virgata) is grijzer en forser, met een dikkere snavel met gele basis en gele poten, en zijn witte staart draagt één zwarte band maar geen witte wig over de rug. De Amerikaanse grijze ruiter (Tringa incana) is egaal grijs, langer van poot en snavel en toont in de vlucht geen enkel wit. Zit een groep op een rots te wachten tot het water zakt, kijk dan naar de poten: dofrood tegenover helder oranje beslist het meestal.

Leefgebied

Buiten de broedtijd is dit een vogel van de getijdenzone op harde ondergrond: wierbedekte rotsplaten, keienstranden, pieren, havenhoofden en golfbrekers, waar hij tussen de branding stenen en wier omkeert. Bij hoogwater wacht hij in dichte groepjes op een droge rots, staand op één poot, tot het water weer zakt. Aangrenzend slik en zandstrand gebruikt hij ook, maar alleen waar stenen in de buurt liggen om op te rusten. Broeden doet hij op de kustvlakte: natte zeggeweiden en pollen strandrogge langs brakke poelen, met het nest in een pol op een eilandje. Open zee en bos mijdt hij volledig.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied is klein en ligt vrijwel geheel in westelijk Alaska, met verreweg de meeste vogels op de delta van de Yukon en de Kuskokwim; daarbuiten broeden er alleen kleine aantallen langs de kust naar het noorden en het zuiden. Al vanaf juli trekt hij zuidwaarts, en een deel steekt dan dwars over de Golf van Alaska in plaats van de kustlijn te volgen; in het voorjaar volgt hij die kustlijn juist nauwkeurig. Overwinteren doet hij op de rotskusten van zuidoostelijk Alaska tot Neder-Californië, de Golf van Californië en Sonora; het binnenland raakt hij zelden. Omdat broedgebied en wintergebied allebei een smalle strook zijn, zit vrijwel de hele soort het jaar rond langs één kustlijn.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem tussen september en april op een golfbreker of een wierbedekte rotsplaat, een paar uur voor of na laagwater; hij zit vaak met brandinglopers en steenlopers in één groep en is daarin de donkerste vogel. Blijf staan en wacht: tegen natte zwarte rots zijn de vogels bijna onzichtbaar tot er een beweegt, en dan blijkt de groep drie keer zo groot als je dacht. Vliegen ze op, dan noemt het zwart-witte patroon van rug, vleugel en staart de soort onmiddellijk.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 95.000 broedvogels en zet de soort op de lijst van vogels met een klein areaal. De Rode Lijst voert hem als niet bedreigd, maar tellingen in het noordwesten van de Verenigde Staten wijzen op een achteruitgang. De kwetsbaarheid zit in de concentratie: bijna de hele soort broedt op één delta en overwintert langs één kustlijn, zodat een olieramp of een verandering in die delta veel vogels tegelijk raakt. De ramp met de Exxon Valdez in 1989 trof overwinterende vogels in Prince William Sound; daarnaast worden ingeslikt plastic en lood uit hagelkorrels als bedreiging genoemd.

Wetenschappelijke naam

Arenaria melanocephala | (Vigors, 1829)

Vigors beschreef de soort in 1829 als Strepsilas melanocephalus; sinds ze in het geslacht Arenaria is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Arenaria is afgeleid van het Latijnse arena, 'zand', en betekent dus zoiets als 'die van het zand'. melanocephala is samengesteld uit het Griekse melas, 'zwart', en kephale, 'kop', naar de zwarte kop van de broedvogel. De typelocatie is niet nauwkeuriger opgegeven dan de noordwestkust van Noord-Amerika. De beschrijving verscheen in het vierde deel van The Zoological Journal.