Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Dougalls stern
Dougalls stern | Sterna dougallii
Roseate Tern | Charrán rosado
Dougalls stern is de bleekste en slankste stern van de Atlantische kust: bijna wit, met twee lange staartlinten die in rust ver voorbij de vleugelpunten steken. De roze zweem op de borst waaraan hij zijn Engelse en Spaanse naam dankt, is er alleen vroeg in het seizoen en alleen bij goed licht. In de Verenigde Staten geldt de noordoostelijke populatie als bedreigd; ruim negentig procent ervan broedt op drie eilanden.
Geluid
De kenmerkende roep is een scherp, hoog kiek, korter en dunner dan wat een visdief laat horen, en daarnaast een lager, tweelettergrepig kir-ik. Bij verstoring van de kolonie gaat dat over in een lage, harde ratel van staccato-noten. Klassiek is ook een aan de zwarte ruiter herinnerend tsjoe-wit, dat boven een gemengde kolonie meteen opvalt. In een groep sterns op zee is de stem vaak het eerste wat verraadt dat er een Dougalls stern tussen zit.
Opname: Ricardo Hevia — CC BY-NC-SA 4.0 · Ortegal (near Cariño), A Coruña, Galicia, Spain · xeno-canto
Herkenning
Man en vrouw zijn gelijk. In broedkleed is hij bleek: een lichtgrijze mantel die tegen wit aan ligt, een gitzwarte pet, en onderdelen met vroeg in het seizoen een zachte roze gloed. De snavel is lang, dun en zwart, op het hoogtepunt van het broedseizoen met een rode basis; de poten zijn helder oranjerood. De staartlinten zijn wit en zo lang dat ze bij een zittende vogel ver voorbij de vleugelpunten uitsteken. In vlucht valt op dat de bovenvleugel vrijwel egaal bleek is, met donker beperkt tot de buitenste twee of drie handpennen; de slag is stijver, sneller en ondieper dan bij de visdief. Jonge vogels zijn grof donker geschubd op de mantel, met een zwarte snavel en donkere poten.
Verwarringssoorten
De visdief (Sterna hirundo) is grijzer op mantel en onderdelen, heeft een oranjerode snavel met een zwarte punt en staartlinten die niet verder komen dan de vleugelpunt. De noordse stern (S. paradisaea) heeft een bloedrode snavel zonder zwarte punt en grijze onderdelen die tegen een witte wangstreep afsteken. Forsters stern (S. forsteri) is forser, met een zwaardere snavel en in winterkleed een zwart oogmasker op een wit hoofd. Het zekerste onderscheid blijft de combinatie van een lange donkere snavel, ijsbleke bovendelen en twee witte linten die als draden achter de vogel aan slepen.
Sterns vergelijken: snavel, poten, kop en staart naast elkaar
Leefgebied
Broedt op kleine eilanden en klippen voor de kust, meestal tussen keien, drijfhout of dichte kruidenvegetatie waar het nest verborgen ligt, en bijna altijd in gezelschap van visdieven. Voedsel zoekt hij verder uit de kust dan de andere sterns, boven zandbanken, getijgeulen en riffen waar roofvissen kleine vis naar de oppervlakte drijven. Zoet water gebruikt hij nauwelijks; van alle sterns van deze kusten is hij het sterkst aan zee gebonden. Na het broeden verzamelen de vogels zich op zandplaten en eilandpunten voordat ze wegtrekken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In Noord-Amerika zijn er twee gescheiden populaties: een noordoostelijke van Nova Scotia en de Îles de la Madeleine tot Long Island, en een Caraïbische van de Florida Keys door de Bahama's en Puerto Rico tot in de Kleine Antillen. De noordoostelijke telde in 2019 ongeveer 4600 broedparen, waarvan het overgrote deel op Long Island en twee eilanden in Buzzards Bay. Beide populaties overwinteren aan de noord- en oostkust van Zuid-Amerika, van Trinidad tot Brazilië; binnen het gidsgebied is de soort in de winter afwezig. Buiten Amerika broedt hij in West-Europa, Oost-Afrika, de Indische Oceaan en de westelijke Grote Oceaan.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in juli en augustus op een zandplaat in het zuiden van New England of op Long Island, waar honderden sterns samen rusten: het is de vogel die witter oogt dan de rest en twee lange linten achter zich aan heeft. Ga niet de broedeilanden op — die zijn afgesloten, en verstoring kost hier direct jongen.
Staat van instandhouding
De noordoostelijke populatie staat in de Verenigde Staten onder de Endangered Species Act (de Amerikaanse soortenbeschermingswet) als endangered (bedreigd) en in Canada onder de Species at Risk Act (de Canadese soortenbeschermingswet) als threatened (kwetsbaar) te boek; de Caraïbische als threatened (kwetsbaar). Wereldwijd is de soort niet bedreigd (LC), maar de Atlantische aantallen zijn een fractie van wat ze in de negentiende eeuw waren, toen de hoedenhandel hele kolonies wegvaagde. Zeespiegelstijging, predatie door meeuwen en ratten en de bebouwing van broedeilanden zijn nu de zwaarste bedreigingen. Het herstel op Long Island en in Buzzards Bay laat zien wat afgesloten en bewaakte eilanden opleveren.
Wetenschappelijke naam
Sterna dougallii | Montagu, 1813
George Montagu beschreef de soort in 1813 als Sterna dougallii; ze staat nog in hetzelfde geslacht, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Sterna komt van het Oudengelse stearn, een oude naam voor sterns. dougallii eert de Schotse arts Peter McDougall (1777–1814), die Montagu het eerste exemplaar toestuurde. De typelocatie is de eilandengroep Cumbrae in de Firth of Clyde in Schotland. Nederlands en Engels gaan hier uit elkaar: de een noemt de man die de vogel opstuurde, de ander de roze gloed op de borst.



