Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Visdief
Visdief | Sterna hirundo
Common Tern | Charrán común
De visdief is de stern die overal is: van de zandbanken van Long Island tot de meren van Saskatchewan broedt hij in luidruchtige kolonies op vrijwel elk kaal stukje grond bij water. Hij is de maatstaf waaraan alle andere sterns in het veld worden afgemeten, en tegelijk de soort die in Noord-Amerika in veertig jaar het hardst achteruit is gegaan.
Geluid
Boven de kolonie klinkt een hard, omlaagglijdend kier-jah, met de klemtoon op de eerste lettergreep — het alarm dat elke bezoeker over zich heen krijgt. Een vogel die met een visje komt aanvliegen roept een gerekt kie-uur, waaraan zijn jong hem herkent. Daartussendoor een kort kip kip kip als contactroep tussen vogels onderling. De stem is voller en lager dan die van de noordse stern, en in een gemengde kolonie is dat verschil vaak bruikbaarder dan het verenkleed.
Opname: Jochem verweij — CC BY-SA 4.0 · OTTENBY, Mörbylånga Municipality, Kalmar län, Sweden · xeno-canto
Herkenning
Man en vrouw zijn gelijk. In broedkleed lichtgrijs boven en wit tot grijzig onder, met een gitzwarte pet die tot in de nek doorloopt en een oranjerode snavel met een zwarte punt. De poten zijn oranjerood en middellang; de diep gevorkte staart reikt in rust ongeveer tot de vleugelpunten. Naarmate de zomer vordert slijten de buitenste handpennen tot een donkere wig in de vleugelpunt, op afstand het handigste kenmerk. In winterkleed wordt het voorhoofd wit en de snavel zwart, en verschijnt er een donkere schouderstreep op de vleugelboeg; jonge vogels dragen die streep ook, met een gemberkleurige waas over de mantel en een korte staart. De vlucht is krachtig en hoekig, met stevige slagen; jagen doet hij biddend, met een rechte duik.
Verwarringssoorten
De noordse stern (Sterna paradisaea) heeft een bloedrode snavel zonder zwarte punt, veel kortere poten, staartpennen die in rust voorbij de vleugelpunt steken, en een smalle, scherp afgetekende zwarte achterrand aan de handpennen in plaats van een donkere wig. Dougalls stern (S. dougallii) is bleker, met een lange zwarte snavel en witte staartlinten die ver buiten de vleugel uitsteken. Forsters stern (S. forsteri) is forser gebouwd en heeft in de winter een zwarte oogvlek op een wit hoofd; zijn handpennen zijn juist lichter dan de rest van de vleugel, waar die van de visdief donkerder worden. Let bij twijfel op de snavelpunt en de lengte van de poten: dat zijn de kenmerken die ook bij slecht licht overeind blijven.
Leefgebied
Broedt op kale of laag begroeide grond vlak bij water: zand- en schelpenstranden, eilandjes in baaien en estuaria, kwelderranden, en landinwaarts de oevers en eilandjes van grote meren en rivieren. Hij vraagt weinig meer dan een vlak stuk zand of grind zonder begroeiing en zonder grondroofdieren, en neemt daarom ook opgespoten baggereilandjes en aangelegde vlotten in gebruik. Voedsel zoekt hij in ondiep water dicht bij de kolonie, meestal binnen vijftien kilometer. Wat hij mijdt is dichte vegetatie en elke plek waar een vos of een rat bij kan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In Noord-Amerika broedt hij van Labrador en Newfoundland zuidwaarts langs de kust tot North Carolina, en landinwaarts van de Grote Meren over de prairieprovincies tot Alberta en het zuiden van de Northwest Territories. Buiten Amerika broedt hij door heel Europa en het gematigde Azië — het is dezelfde soort die in Nederland op elk havenvlot zit. De Amerikaanse vogels vertrekken in augustus en september langs de kust en over de Caraïben en overwinteren aan de kusten van Zuid-Amerika, van Guyana tot Argentinië en Peru; binnen het kaartvenster blijft er 's winters vrijwel niets over. In de negentiende eeuw werd de soort voor de hoedenhandel bijna weggeschoten; na herstel in de twintigste eeuw dalen de Noord-Amerikaanse aantallen sinds de jaren zeventig opnieuw.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem van mei tot augustus vanaf een pier of een strandhoofd waar het getij het water in beweging houdt: daar bidt hij, en daar zie je de donkere wig in de vleugelpunt tegen het licht. Loop in juli en augustus de rustende groepen op de zandplaat na en kijk naar de snavelpunten — dan staan visdief, noordse stern en Dougalls stern vaak naast elkaar.
Staat van instandhouding
Wereldwijd talrijk, met naar schatting anderhalf tot ruim drie miljoen volwassen vogels, maar in Noord-Amerika broeden er minder dan tachtigduizend paar en zijn de aantallen in veertig jaar sterk gedaald. De oorzaken liggen op de broedplaats: opgeruimde en vergraven stranden, verstoring, en de opmars van grote meeuwen en van ratten op eilanden. Waar kolonies worden afgezet en van grondroofdieren vrijgehouden, herstellen ze snel.
Wetenschappelijke naam
Sterna hirundo | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sterna hirundo; omdat ze nog altijd in hetzelfde geslacht staat, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Sterna gaat terug op het Oudengelse stearn, een naam voor sterns die al rond het jaar duizend in het gedicht The Seafarer voorkomt. hirundo is het Latijnse woord voor zwaluw, naar de gevorkte staart en de lichte vlucht — dezelfde gedachte zit achter de Engelse volksnaam sea swallow. De typelocatie is Europa, later beperkt tot Zweden.




