Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Noordse stern

Noordse stern | Sterna paradisaea

Arctic Tern | Charrán ártico

De noordse stern legt van alle vogels de langste jaarlijkse reis af: van de broedplaatsen in de Arctis naar het pakijs rond Antarctica en terug, bij gezenderde Groenlandse vogels gemiddeld ruim zeventigduizend kilometer per jaar. Hij leeft daardoor in twee zomers en ziet meer daglicht dan enig ander dier. In het veld is het een bleke, ijl gebouwde stern met een bloedrode snavel zonder zwarte punt en poten die nauwelijks langer zijn dan een duimnagel.

Noordse stern (Sterna paradisaea)
Foto: W. Bulach — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, nasaal kie-jaa dat aan het eind omhoogschiet, korter en rauwer dan die van de visdief. Bij een indringer boven de kolonie gaat dat over in een ratelend kt-kt-kt-kt, en de vogels vallen daarbij ook werkelijk aan: een noordse stern raakt een mensenhoofd met de snavel en trekt bloed. De baltsvlucht gaat samen met een langgerekt, opgaand fluiten. Boven een kolonie op een arctisch eilandje is het geluid onafgebroken en oorverdovend.

Luister: VluchtroepXC1168680

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Soppavann, Finland · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, slanke stern: smalle vleugels, een diep gevorkte staart met slierten die in rust voorbij de vleugelpunten steken, en een korte hals met een rond kopje. In broedkleed is de snavel geheel donkerrood zonder zwarte punt, zijn de poten kort en rood en zijn de onderdelen lichtgrijs, waardoor de witte wangstreep onder de zwarte kap oplicht. Van onderen zijn de handpennen doorschijnend, met een smalle, scherp begrensde zwarte achterrand; bij de visdief is die rand breed en vaag. Buiten de broedtijd worden snavel en poten zwart, wordt het voorhoofd wit en blijft de schouder ongestreept. Jonge vogels hebben een fijn geschubde bovenzijde, een korte staart en witte binnenvleugels.

Verwarrings­soorten

De visdief (Sterna hirundo) is het grote gevaar: die heeft een oranjerode snavel met zwarte punt, langere poten, een langere hals, een donkere wig in de buitenste handpennen en wittere onderdelen. Dougalls stern is nog bleker, met een overwegend zwarte snavel met rode basis, lange staartslierten en een geheel witte onderzijde zonder grijs. Forsters stern (S. forsteri) heeft zilverwitte handpennen en in winterkleed een losse zwarte oorvlek in plaats van een doorlopende kap. Zit de vogel op de grond, dan is de pootlengte beslissend: de noordse stern staat zo laag dat zijn buik de grond bijna raakt.

Sterns vergelijken: snavel, poten, kop en staart naast elkaar

Leefgebied

Broedt op open, boomloze grond: arctische toendra, grindstranden, rotsige eilandjes, kwelders en de oevers van boreale meren, altijd dicht bij water en vrijwel altijd in kolonies. Buiten de broedtijd leeft hij volledig op zee, van de open oceaan tot aan de rand van het pakijs; land raakt hij dan maandenlang niet aan. Hij jaagt op kleine scholenvis en kreeftachtigen die hij al biddend uit de bovenste decimeters van het water pakt. Zoet binnenwater gebruikt hij op trek maar zelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt rondom de pool: in Noord-Amerika van de Aleoeten en heel Alaska door de Canadese Arctis en Groenland tot Newfoundland en Nova Scotia, en zuidwaarts tot Maine en in kleine aantallen Massachusetts. Overwinteren doet hij in de zuidelijke oceanen tot aan het pakijs van Antarctica, ver buiten het gidsgebied; in Noord-Amerika is hij buiten de broedgebieden dan ook uitsluitend doortrekker, en dan grotendeels ver uit de kust. Zenderonderzoek gaf voor Groenlandse vogels gemiddeld 70.900 kilometer per jaar, met een uitschieter van 81.600 kilometer, en voor vogels van de Farne-eilanden ruim 90.000 kilometer in tien maanden. De heenreis loopt over de Atlantische Oceaan langs de Afrikaanse of de Zuid-Amerikaanse kust; op de terugweg beschrijven de vogels een grote lus met de wind mee.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Aan de Amerikaanse oostkust zie je hem het best vanaf een pelagische boottocht in mei of eind augustus; vanaf het strand is hij zeldzaam, want de trek gaat ver uit de kust. Wil je hem broedend zien, dan zijn de kolonies van Maine en de Baai van Fundy de zuidelijkste kans — neem een hoed mee, want de vogels stoten. Let bij elke roodsnavelige stern eerst op de zwarte punt: ontbreekt die, dan heb je een noordse stern.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op twee tot drie miljoen vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd (LC), maar de trend is onbekend en aan de zuidrand van het areaal, in Maine en de Canadese Maritieme Provincies, lopen de kolonies terug. De belangrijkste oorzaak is voedselgebrek: warmer zeewater verdringt de zandspiering, de vis waarvan de kuikens leven. Daarnaast eisen grote meeuwen, vossen en overstromingen hun tol op de kolonies. Het is een langlevende vogel — ringvondsten van dertig jaar zijn bekend — zodat een reeks slechte broedjaren pas laat in de aantallen zichtbaar wordt.

Wetenschappelijke naam

Sterna paradisaea | Pontoppidan, 1763

Erik Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Sterna paradisaea; het geslacht is sindsdien niet veranderd, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Sterna komt van het Oudengelse stearn, 'stern'. paradisaea gaat terug op het Laatlatijnse paradisus, 'paradijs', vermoedelijk om de lange, wapperende staartslierten die aan een paradijsvogel doen denken. Pontoppidan gaf geen typelocatie op; die is later vastgelegd op Christiansø bij Bornholm in Denemarken.