Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Driekleurtroepiaal
Driekleurtroepiaal | Agelaius tricolor
Tricolored Blackbird | Sargento tricolor
De driekleurtroepiaal broedt in de grootste kolonies van alle landvogels van Noord-Amerika: één kolonie kan tienduizenden vogels tellen. Bijna de hele wereldpopulatie zit in Californië, en die populatie is in een eeuw van miljoenen tot enkele honderdduizenden teruggelopen.
Geluid
De zang van het mannetje is een rauw, nasaal en samengeknepen on-ke-kaaangh, korter en schorer dan dat van de epauletspreeuw. In een kolonie klinken duizenden van die geluiden door elkaar als een aanhoudend, laag gebrom dat al van ver hoorbaar is. De roepen zijn een nasaal kip en een scherpe tsjek. Vrouwtjes hebben een ratelende roep bij het nest.
Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Colusa NWR, Colusa County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is geheel zwart met een donkerrode schoudervlek die onderaan wordt begrensd door een scherpe, zuiver witte band; die witte band is het kenmerk. De zwarte veren hebben weinig glans en ogen mat. Het vrouwtje is donkerbruin met vage streping, donkerder en kouder gekleurd dan het vrouwtje van de epauletspreeuw, met een grijzige keel en meestal zonder roodbruine tinten. De snavel is slanker en spitser dan die van de epauletspreeuw.
Verwarringssoorten
De epauletspreeuw is de enige echte verwarringssoort. Bij het mannetje daarvan is de rand onder de rode schoudervlek geel of okerkleurig en geleidelijk begrensd, niet wit en scherp; in vers winterkleed kan die rand bleek lijken, en dan is de vorm van de begrenzing doorslaggevend. Het vrouwtje van de epauletspreeuw is warmer bruin met roestige veerranden en een duidelijker gestreepte, vaak roze aangelopen keel. Ook het gedrag helpt: de driekleurtroepiaal zit vrijwel altijd in dichte groepen, ook in het broedseizoen.
Leefgebied
Van oorsprong grote zoetwatermoerassen met lisdodde en biezen in het Central Valley van Californië. Nu nestelt het merendeel in aangeplante of verwilderde vegetatie: bramenstruweel, brandnetel, distelvelden en vooral graanvelden op melkveebedrijven, die als kuilvoer worden geoogst. Foerageren gebeurt op weiland, akkerland en veekralen binnen enkele kilometers van de kolonie; insectenrijk grasland naast de kolonie is nodig om de jongen groot te brengen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Vrijwel het hele areaal ligt in Californië, met het zwaartepunt in het Central Valley en kleinere aantallen aan de centrale kust en in Zuid-Californië. Daarbuiten zijn er kleine, wisselende broedgroepen in Zuid-Oregon, West-Nevada en het zuiden van de staat Washington, en een klein areaal in Noord-Neder-Californië. De soort is standvogel, maar verplaatst zich buiten het broedseizoen binnen de staat naar de delta en de kuststreek. Kolonies worden vaak niet in opeenvolgende jaren op dezelfde plek gevestigd.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in april of mei naar een graanveld of bramenstruweel in het Central Valley en luister eerst: het gebrom van een kolonie is over meer dan een kilometer te horen. Bij een vliegende groep is het witte streepje onder de schouder het enige betrouwbare kenmerk, dus wacht tot de vogels zitten of vlak langs komen.
Staat van instandhouding
De soort geldt als bedreigd (EN). In de jaren dertig ging het om twee tot drie miljoen vogels; de staatsbrede telling van 2025 kwam uit op ongeveer 218.000. De zwaarste ingreep is het oogsten of hakselen van graan- en onkruidvelden terwijl er nog eieren of jongen in zitten, waardoor een hele kolonie in één dag verloren gaat. Daarnaast spelen het droogleggen van moeras, de omzetting van insectenrijk grasland in notenboomgaarden en wijngaarden, en predatie door koereigers. Sinds 2015 worden telers betaald om de oogst uit te stellen; in 2018 kreeg de soort de status kwetsbaar (threatened) onder de Californische natuurwet.
Wetenschappelijke naam
Agelaius tricolor | (Audubon, 1837)
Audubon beschreef de soort in 1837 als Icterus tricolor; omdat ze later in Agelaius is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Agelaius komt van het Griekse agelaios 'in kudden levend', van agelè 'kudde' — naar het groepsgedrag. De soortnaam tricolor is Latijn voor 'driekleurig', naar het zwart, rood en wit van het mannetje. Het typemateriaal werd later aan Santa Barbara in Californië toegewezen.





