Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Epauletspreeuw
Epauletspreeuw | Agelaius phoeniceus
Red-winged Blackbird | Tordo sargento
De epauletspreeuw is een van de talrijkste en meest zichtbare vogels van Noord-Amerika: een glanzend zwarte spreeuwachtige met felrode, geel omzoomde schouderplekken die het mannetje in het voorjaar demonstratief showt vanaf elke rietstengel. In het najaar vormen de soort en zijn verwanten de grootste vogelzwermen van het continent, soms miljoenen exemplaren sterk.
Geluid
De zang is het typische geluid van elk Noord-Amerikaans moeras: een schor, aanzwellend konk-a-rie, waarbij het mannetje tegelijk zijn schouderplekken spreidt en zijn veren opzet. De roep is een scherp tsjek, en bij onrust een lang, dalend gefluit. Vrouwtjes laten een eigen, ratelende reeks horen die niets van de zang van het mannetje wegheeft.
Opname: Pat Goltz — CC BY-NC-SA 4.0 · Sweetwater Wetlands Park (near Tucson), Pima County, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is vrijwel geheel glanzend zwart, met scharlaken schouderplekken die door een smalle gele band worden omzoomd en die hij naar believen kan verbergen of tonen. Het vrouwtje ziet er totaal anders uit: een dicht gestreepte, bruine vogel die meer op een grote gors lijkt dan op haar eigen partner, soms met een vage roze zweem op de keel. Jonge mannetjes zijn in hun eerste zomer bruinzwart met roestige veerranden en nog onvolgroeide schouderplekken. In de vlucht is de soort te herkennen aan de rechte, doelbewuste vlucht en de gewoonte om in dichte zwermen samen met andere spreeuwachtigen te foerageren.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje wordt vaak voor een grote gors of een lijster aangezien, maar heeft een spitsere snavel en een veel scherper gestreept patroon dan enige gors. Andere zwarte spreeuwachtigen — de zwarte troepiaal en de glanstroepiaal — missen de rode schouderplek volledig en hebben een geel of licht oog in plaats van donker. In het westen komt hij voor met de geelkoptroepiaal, die door zijn felgele kop en borst nauwelijks te verwarren is, al mengen de soorten zich soms in dezelfde zwermen.
Leefgebied
Rietmoeras, zeggenvelden, oevers van meren en sloten, en drassige weilanden, waar hij op stevige stengels zijn territorium afbakent. Buiten het broedseizoen verruilt hij het moeras voor akkers en weiland, waar hij in gemengde zwermen met andere spreeuwachtigen naar graan en zaden zoekt. Vrijwel elk stukje waterrijk begroeid land, van een greppel tot een uitgestrekt moeras, kan een territorium herbergen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Brits-Columbia en Newfoundland in het noorden tot in Costa Rica in het zuiden, en is in bijna de gehele Verenigde Staten het hele jaar aanwezig; alleen de noordelijkste, Canadese populaties trekken in de winter zuidwaarts. Buiten het broedseizoen verzamelt hij zich in grote gemeenschappelijke slaapplaatsen, soms met miljoenen vogels tegelijk. Hij behoort tot de talrijkste vogels van het continent, al zijn de aantallen sinds het midden van de twintigste eeuw duidelijk afgenomen, mede door bestrijding als landbouwplaag en verlies van moerasgebied.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in het vroege voorjaar een rietkraag of greppel met wilgen op en let op mannetjes die hoog op een stengel zitten te zingen met gespreide schouderplekken — ze zijn dan van grote afstand te zien. In de nazomer en herfst verraden grote, ruisende zwermen boven akkerland vaak deze soort, samen met andere spreeuwachtigen.
Staat van instandhouding
Een van de talrijkste vogels van Noord-Amerika, maar de aantallen zijn sinds de jaren zestig van de vorige eeuw gestaag gedaald door drooglegging van moeras en grootschalige bestrijding als landbouwplaag. Waar rietmoeras en natte weilanden behouden blijven, blijft de soort algemeen.
Wetenschappelijke naam
Agelaius phoeniceus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als O[riolus] phoeniceus, bij de wielewalen; ze is sindsdien naar een ander geslacht overgeplaatst, en daarom staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Agelaius is Grieks voor 'in kudde levend' en werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, naar het sterk sociale gedrag van de soort. phoeniceus is Latijn voor 'scharlakenrood, purperrood', naar de schouderplekken van het mannetje. De typelocatie werd aanvankelijk vaag als 'in America septentrionali' opgegeven, en in 1928 beperkt tot Charleston, South Carolina.




