Alle soorten › Genten en aalscholvers › Genten › Nazcagent

Nazcagent | Sula granti

Nazca Booby | Piquero de Nazca

De nazcagent gold tot 2002 als een ondersoort van de maskergent, tot onderzoek naar gedrag, geluid en snavelkleur aantoonde dat het om een eigen soort ging. Hij lijkt in bijna alles op de maskergent, maar de oranjeroze snavel in plaats van de gele is op elke afstand het herkenbare verschil.

Nazcagent (Sula granti)
Foto: Peter Wilton — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zoals bij de meeste gentachtigen verschilt de stem tussen de seksen sterk: het mannetje laat een dun, aanhoudend gefluit horen, het vrouwtje een luid, schor gekwaak dat als een blafgeluid overkomt. Op de kolonie is vooral het vrouwtjesgeluid van verre te horen, bijvoorbeeld tijdens de baltsgroet waarbij de partners de snavel omhoog wijzen. Buiten de kolonie, op zee, is de soort net als de maskergent vrijwel geluidloos.

Luister: ZangXC766723

Opname: Bram Vogels — CC BY-NC-SA 4.0 · Punta Suarez, San Cristobal, Islas Galápagos, Ecuador · xeno-canto

Herkenning

Volwassen vogels zijn sneeuwwit met zwarte handpennen, een zwarte staart en een donker gezichtsmasker rondom de snavelbasis en de ogen, precies als bij de maskergent. Het onderscheidende kenmerk is de snavel: bij de nazcagent oranje tot roze in plaats van geel, met bij het mannetje vaak een iets rozer gloed dan bij het vrouwtje. De poten zijn grijsblauw, de iris is geel. Jonge vogels zijn bruin met een witte onderrug en -buik en een donkere kop, en krijgen pas na enkele jaren het volwassen kleed; in dit stadium is hij nauwelijks van een jonge maskergent te onderscheiden. In de vlucht is de soort net als de maskergent een zware, rechtlijnig vliegende gent met smalle, spitse vleugels.

Verwarrings­soorten

Verreweg de grootste verwarring is met de maskergent (Sula dactylatra): buiten de snavelkleur — oranjeroze tegenover geel — zijn de twee nagenoeg identiek, en pas onderzoek van eind twintigste eeuw scheidde ze definitief. Het silhouet van de nazcagent is gemiddeld iets forser met een net iets langere staart, maar dat verschil is in het veld nauwelijks te gebruiken. Waar zijn areaal het broedgebied van de blauwvoetgent (Sula nebouxii) raakt, is die laatste door de blauwe poten in elk kleed meteen te onderscheiden.

Leefgebied

Broedkolonies liggen op kaal, open terrein bij kliffen, met weinig tot geen begroeiing — vergelijkbare grond als de maskergent gebruikt, maar vaker op de rotsige, vulkanische bodem van eilanden in de oostelijke Grote Oceaan. Buiten het broedseizoen jaagt hij ver op open zee op vis en inktvis, met duikvluchten van soms tientallen meters hoog. Kustwateren dicht bij het vasteland gebruikt hij vooral op doortocht of als niet-broedende zwerver.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het grootste deel van de wereldpopulatie broedt op de Galápagoseilanden; binnen het gidsgebied liggen de dichtstbijzijnde kolonies op de Revillagigedo-eilanden voor de kust van Colima, Mexico, met kleinere aantallen op het afgelegen Clipperton-eiland verder naar het westen. Na het broeden verspreiden vooral jonge vogels zich noordwaarts langs de kust van Neder-Californië, waar ze op boottochten vanaf de zuidpunt van het schiereiland geregeld worden gezien. Verder zuidwaarts broedt de soort ook op Isla Malpelo (Colombia), Isla de la Plata (Ecuador) en Lobos de Afuera (Peru), buiten het gidsgebied.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Pelagische boottochten vanuit Cabo San Lucas of La Paz aan de zuidpunt van Neder-Californië bieden de beste kans op de soort binnen dit gebied, vooral in de nazomer en herfst wanneer jonge vogels van de Revillagigedo-kolonies noordwaarts zwerven. Let op de snavelkleur, niet op de grootte, om hem van de maskergent te onderscheiden.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie geldt als niet bedreigd (LC), met de grootste, goed onderzochte kolonies op de Galápagoseilanden. Sterke El Niño-jaren, met warmer zeewater en minder vis, kunnen de broedsuccessen op korte termijn flink laten dalen, maar een aanhoudende afname op de lange termijn is niet vastgesteld. Introductie van roofdieren op onbewoonde broedeilanden blijft de belangrijkste lokale bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Sula granti | Rothschild, 1902

Rothschild beschreef de soort in 1902 als Sula granti; ze bleef in hetzelfde geslacht, dus staan auteur en jaartal niet tussen haakjes. Het type kwam van Culpepper (tegenwoordig Darwin) Island in de Galápagos. Het epitheton granti draagt de naam van iemand met de achternaam Grant op, aan wie Rothschild de soort opdroeg; wie precies bedoeld is, vermeldt de oorspronkelijke bron niet. Tot 2002 werd de soort als ondersoort van de maskergent beschouwd, tot DNA-onderzoek, verschillen in baltsgedrag en de afwijkende snavelkleur haar tot eigen soort verhieven.