Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Prairiepieper
Prairiepieper | Anthus spragueii
Sprague's Pipit | Bisbita llanero
De prairiepieper is de enige pieper die geheel gebonden is aan de oorspronkelijke gemengde grasprairie van de noordelijke Great Plains. Hij broedt nergens anders ter wereld, en met het omzetten van prairie in akkerland is hij een van de sterkst afgenomen zangvogels van Noord-Amerika geworden.
Geluid
Het mannetje zingt hoog in de lucht, op een hoogte tot ruwweg honderd meter, in een reeks zweefbogen; een zangvlucht kan een halfuur aaneen duren en is bij enkele vogels tot drie uur toe gemeten. De zang zelf is een ijle, neerwaarts glijdende reeks van vier tot acht paren tsjie-a tsjie-a tsjie-a, waarbij elk paar lager en trager klinkt dan het vorige. Doordat de vogel zo hoog vliegt, hoor je de zang vaak zonder dat je hem ziet. De roep op de grond en bij opvliegen is een kort, droog tjiep, veel minder scherp dan die van de Amerikaanse pieper.
Opname: Jacob Saucier — CC BY-NC-SA 4.0 · 4 km E of St. Marie, Valley County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen, bleke pieper met een geschubde bovenzijde: de veren van mantel en rug hebben donkere centra met brede lichte randen, zodat het patroon geblokt oogt in plaats van gestreept. De kop is effen, zonder duidelijke wenkbrauwstreep of baardstreep, waardoor het donkere oog groot en losstaand op een bleek gezicht lijkt. De kruin is fijn zwart gestreept. De onderzijde is wit met een oker waas en een fijne stippeling over de borst, de flanken zijn nagenoeg ongestreept. De poten zijn bleek roze tot vleeskleurig, de staart kort met veel wit in de buitenste pennen. Anders dan andere piepers wipt hij nauwelijks met de staart.
Verwarringssoorten
De Pacifische waterpieper is donkerder en effener van boven, heeft donkere poten, een grijzer gezicht met een lichte wenkbrauwstreep, en wipt voortdurend met de staart; hij leeft bovendien in groepen, terwijl de prairiepieper ook in de winter alleen blijft. De avondgors heeft eveneens witte buitenste staartpennen, maar een kegelvormige zaadsnavel, een kastanjebruine schoudervlek en een duidelijke oogring. Van de gorzen van de graslanden verschilt de prairiepieper altijd door de dunne, spitse insectensnavel. Bij opvliegen zie je een bleke, schubbig getekende vogel die na een stukje onregelmatige vlucht meteen weer in het gras verdwijnt.
Leefgebied
Oorspronkelijke gemengde grasprairie met een grasmat van ruwweg vijftien tot dertig centimeter hoog, met blauwgrama, junigras en tarwegrassen, zonder struiken en zonder kale bodem. Licht begraasd natuurgrasland wordt gebruikt, akkerland en ingezaaide exotische grassoorten vrijwel niet. In de winter zit hij in kortgrasprairie, in woestijngrasland van het Chihuahuaanse hoogland en in beweide graslanden, opnieuw in grasmat van middelhoge dichtheid.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt in een band van Zuid-Alberta, Zuid-Saskatchewan en Zuidwest-Manitoba door Montana en de beide Dakota's tot aan de westrand van Minnesota. De trek loopt door de centrale Great Plains. De overwintering ligt in Zuid-Texas, Oklahoma, de Golfkuststaten tot Alabama, het zuiden van New Mexico en Arizona, en vooral in de graslanden van Noord- en Midden-Mexico: Chihuahua, Coahuila, Durango, Zacatecas, Nuevo León, Tamaulipas en San Luis Potosí, met kleinere aantallen zuidelijker op de hoogvlakte. De verdeling over de Mexicaanse deelstaten is voor een deel afgeleid uit de beschreven winterverspreiding en niet uit getelde aantallen.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De grootste kans heb je in mei en juni op een prairiereservaat in Montana of Zuid-Saskatchewan: ga bij zonsopgang staan en luister omhoog, want de zang komt uit een punt aan de hemel dat je pas met een verrekijker vindt. Op de grond blijft de vogel vaak onopgemerkt; hij vliegt pas laat op en landt binnen enkele tientallen meters weer.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie kwetsbaar (VU). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1967 en 2023 een afname van ongeveer 3,9 procent per jaar zien, samen een terugval van ruwweg negentig procent; in de State of the Birds van 2025 (het tweejaarlijkse Noord-Amerikaanse statusrapport) staat de soort als kantelpuntsoort met oranje alarm. Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 1,4 miljoen vogels. Het omzetten van gemengde grasprairie in akkerland en in ingezaaid grasland is de hoofdoorzaak, zowel in het broedgebied als in het Mexicaanse wintergebied; beperkte begrazing houdt de grasmat in de juiste hoogte, terwijl het uitblijven van begrazing of brand en het opdringen van struikgewas het terrein ongeschikt maken.
Wetenschappelijke naam
Anthus spragueii | (Audubon, 1844)
Audubon beschreef de soort in 1844 als Alauda spragueii, naar een exemplaar van bij Fort Union in North Dakota; omdat ze later naar Anthus is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert Isaac Sprague, de tekenaar die Audubon in 1843 op zijn reis langs de Missouri vergezelde. Het geslacht Anthus gaat terug op het Griekse anthos, bij Plinius de naam van een kleine vogel van het grasland. Audubon noemde de vogel zelf de 'Missouri-leeuwerik', naar de zangvlucht; het Spaanse bisbita llanero betekent 'pieper van de vlakten'.


