Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grote grijze snip

Grote grijze snip | Limnodromus scolopaceus

Long-Billed Dowitcher | Agujeta escolopácea | Großer Schlammläufer | חרטומנית ארוכת-מקור | Bécassin à long bec

Een Nearctische steltloper die in Europa bijna altijd op zoet water opduikt, en zelden op het open wad. Gedrongen, kortpotig, met een lange rechte snavel waarmee hij als een naaimachine verticaal in de zachte bodem prikt. Van de twee grijze snippen is dit veruit degene die de oversteek maakt.

Grote grijze snip (Limnodromus scolopaceus)
Foto: Mike Baird — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, hoog en kort kiek, meestal los uitgestoten, bij opvliegen ook in een snelle ratelende reeks kiek-kiek-kiek. De toon is dun en doordringend en draagt ver over open water. De kleine grijze snip klinkt volstrekt anders: zacht, vloeiend en drielettergrepig, tu-tu-tu, in de trant van een kleine geelpootruiter. Foeragerende groepjes laten daarnaast een zacht gekeuvel horen dat je alleen op korte afstand oppikt.

Luister: ZangXC1046346

Opname: AUDEVARD Aurélien — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Zo lang als een kemphaan maar veel zwaarder gebouwd: korte hals, bolle rug, korte geelgroene poten en een lange rechte snavel die bij vrouwtjes duidelijk langer is dan bij mannetjes. In zomerkleed is de onderzijde steenrood tot onder de staart, met dwarsstreping op de flanken en fijne zwarte vlekjes op hals en borstzijden. In winterkleed is de borst effen grijs en scherp afgesneden tegen een witte buik, met een lichte wenkbrauw boven een donkere oogstreep. Juvenielen zijn warmer bruin met effen grijsbruine tertials en hooguit een dunne roestzoom. In vlucht een spitse witte wig op de rug, een gebandeerde staart die donker oogt en tenen die net voorbij de staart steken.

Verwarrings­soorten

Alles draait om de kleine grijze snip (Limnodromus griseus). De snavel is bij de grote gemiddeld langer, maar de reeksen overlappen volledig: een mannetje grote grijze snip heeft een kortere snavel dan een vrouwtje kleine grijze snip, dus op snavellengte alleen kom je er niet. Bij juveniele vogels zijn de tertials wel beslissend. Bij de grote zijn ze effen grijsbruin met hooguit een smalle roestkleurige zoom; bij de kleine dragen ze brede warme zomen met interne strepen en lussen, als tijgerstreping. Verder heeft de grote in de staart bredere zwarte dan witte banden, waardoor de staart donkerder oogt, en zijn de flanken in zomerkleed dwarsgestreept in plaats van gevlekt. In de praktijk beslist de roep: één scherpe hoge toon tegenover een zachte drielettergrepige reeks. Wie de vogel hoort opvliegen, heeft de determinatie meestal rond voordat hij de tertials heeft gezien.

Leefgebied

In Europa vrijwel altijd ondiep zoet of licht brak water: plas-drasgebieden, verlandende kleiputten en zandwinplassen, natte graslanden met open slikranden, bezinkvelden en zoutpannen. Hij waadt tot ver boven de knieën en prikt minutenlang op dezelfde vierkante meter, met de snelle verticale stoten die de soort zo herkenbaar maken. Het open getijdenwad gebruikt hij veel minder dan de kleine grijze snip. Broedt op natte kusttoendra met zeggenpollen en poeltjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Tsjoekotka en het westen en noorden van Alaska, overwinterend van het zuiden van Noord-Amerika tot in Midden-Amerika. In Europa een van de vaker gemelde Amerikaanse steltlopers. Op de Britse Eilanden meerdere vogels per jaar, vooral juvenielen in september en oktober; langs de zuidelijke Noordzee wijkt het patroon af, met een zwaartepunt in april tot juni, een tweede reeks van juli tot november en veel vogels die tot in de winter blijven. In Iberië een handvol gevallen, verspreid over kustlagunes, La Mancha en de Canarische Eilanden, met een najaarsmaximum.

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem niet op het wad maar op het zoete water erachter. Een verse melding loont: de vogels blijven vaak dagen tot weken op dezelfde plas en zijn dan weinig schuw, zodat je rustig op korte afstand kunt gaan zitten. Wacht tot hij opvliegt, want die ene scherpe kiek maakt het onderscheid met de kleine grijze snip harder dan welk verenkleed ook. Fotografeer bij een juveniele vogel altijd de opgevouwen vleugel met de tertials erop, en let bij een naaimachinevogel in een groep grutto's of kemphanen op de bolle rug en de korte poten: dat verraadt hem al voordat je de snavel goed ziet.

Staat van instandhouding

Gevoelig (IUCN: Near Threatened) sinds de 2024-update van de Rode Lijst. De wereldpopulatie wordt op enkele honderdduizenden vogels geschat en lijkt stabiel, al zijn tellingen op de broedtoendra lastig en berust de trend vooral op tellingen tijdens de trek. De knelpunten liggen buiten de broedgebieden: verdroging en omzetting van de ondiepe binnenwateren in het westen van Noord-Amerika, waar grote groepen in de nazomer ruien, en achteruitgang van de kustmoerassen langs de Golf van Mexico. In Europa heeft de soort geen eigen populatie: hier gaat het om losse dwaalgasten.

Wetenschappelijke naam

Limnodromus scolopaceus | (Say, 1822)

Say beschreef de soort in 1822 als Limosa scolopacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Limnodromus werd in 1833 ingevoerd door Wied-Neuwied. Limnodromus is Grieks, van limnē 'moeras' en -dromos '-loper'. scolopaceus betekent 'snipachtig', van het Latijnse scolopax 'snip', naar de lange rechte snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de omgeving van Council Bluffs in Iowa.