Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Bartrams ruiter

Bartrams ruiter | Bartramia longicauda

Upland sandpiper | Correlimos batitú

Een steltloper die het water links laat liggen. Bartrams ruiter loopt in kort gras op vliegvelden, golfbanen en machair, gaat op paaltjes en muurtjes zitten en houdt na de landing de vleugels even omhoog. Het kleine duivenkopje met het grote donkere oog maakt hem onmiskenbaar.

Bartrams ruiter (Bartramia longicauda)
Foto: Tom Koerner, USFWS Mountain-Prairie — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

In vlucht een bubbelend, oplopend kwip-ip-ip-ip. Op het broedgebied een langgerekt fluitconcert dat oploopt en dan zuchtend wegzakt, hoe-oe-oe-lie-wieloe, vaak hoog in de lucht of vanaf een paal. In Europa is de soort vrijwel altijd zwijgzaam; de bubbelroep is hooguit te horen als de vogel opvliegt.

Luister: Roepen boven kortgrasprairieXC104531

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Middelgrote, slanke ruiter met een opvallend klein, rond kopje op een lange, dunne hals. Het oog is groot, donker en omringd door een fijne witte ring, in een verder tekeningloos, bleek gezicht. De snavel is kort, recht en geel met een donkere punt. Bovendelen gemarmerd goudbruin met zwarte tekening, borst en flanken met donkere pijlpunten. De poten zijn lang en geel, de staart lang en steekt duidelijk voorbij de vleugelpunten. In vlucht donkere handpennen zonder vleugelstreep en een wig van fijn gebandeerde buitenste staartpennen.

Verwarrings­soorten

Wie hem voor het eerst ziet, denkt eerst aan een jonge kemphaan: ook goudbruin geschubd van boven, ook lange gele poten. Maar de kemphaan heeft een langere, iets neerwaarts gebogen snavel, een klein oog in een vollere kop, een geschubde in plaats van gemarmerde mantel, geen lange staartuitsteek en in vlucht de witte ovalen naast de stuit. De blonde ruiter deelt het grote donkere oog in een effen gezichtje, maar is veel kleiner, korter van hals en staart, egaal okerkleurig van onderen zonder pijlpunten, met zwarte poten en zilverwitte ondervleugels. De drie kenmerken die bij bartrams ruiter altijd kloppen zijn het onevenredig kleine kopje met het uitpuilende donkere oog, de lange dunne hals die hij als een periscoop boven het gras uitsteekt, en de lange staart die ver voorbij de vleugelpunten uitkomt.

Leefgebied

Droge, kortgegraasde graslanden en prairie: in Europa vliegvelden, golfbanen, kortgemaaide bermen, machair, duingrasland en stoppelvelden. Water zoekt hij niet op. De vogel loopt plevierachtig met korte spurtjes en stilstaan, drukt zich bij onraad plat in het gras en gaat daarna vaak op een paal of muurtje zitten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de prairies en hooilanden van Noord-Amerika, overwinterend op de pampa's van Zuid-Amerika. Die lange trekbaan over de Atlantische Oceaan levert in september en oktober jaarlijks enkele Europese gevallen op, met het zwaartepunt op de Scilly-eilanden, in Zuidwest-Engeland en op de Noordelijke eilanden van Schotland en Ierland; elders in het kaartgebied, van het Iberisch Schiereiland tot de Azoren, is de soort een grote zeldzaamheid.

Hoe en wanneer kijken

Zoek eind september op kortgegraasd grasland, golfbanen en vliegveldjes langs de Atlantische kust, kort na een snelle depressie die vanuit Newfoundland is overgestoken. Loop de randen af en let op een vogel die plotseling rechtop gaat staan: de lange hals met het kleine kopje boven het gras is vaak het eerste wat je ziet.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar de aantallen liggen ver onder die van vroeger. Jacht in de negentiende eeuw en later de omzetting van prairie in akkerland hebben de aantallen sterk teruggebracht, en in het oosten van de Verenigde Staten staat ze op meerdere staatslijsten van bedreigde soorten. In de kerngebieden van de noordelijke prairies is de populatie de laatste decennia redelijk stabiel, zolang er extensief begraasd grasland overblijft.

Wetenschappelijke naam

Bartramia longicauda | (Bechstein, 1812)

Bechstein beschreef de soort in 1812 als Tringa longicauda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bartramia werd in 1831 ingevoerd door Lesson. Bartramia eert de Amerikaanse natuuronderzoeker William Bartram (1739–1823). longicauda is gevormd uit Latijn longus 'lang' en cauda 'staart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika.