Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleine strandloper
Kleine strandloper | Calidris minuta
Little stint | Correlimos menudo
De kleine strandloper is het kleinste steltlopertje dat in Nederland jaarlijks in aantal doortrekt, meestal als roestbruin getekende juveniel op een droogvallende slikrand. Hij loopt gehaast en pikkend, met korte pasjes, terwijl bonte strandlopers naast hem bedaard doorsonderen.
Geluid
Een kort, droog en hoog tit, vaak in korte reeksen als tit-tit-tit wanneer een groepje opvliegt. De toon is scherper en droger dan het schrapende krieuw van bonte strandloper en mist de trillende kwaliteit van Temmincks strandloper. Foeragerende groepjes onderhouden een zacht, hoog gepiep. In Nederland hoor je de roep vooral bij verstoring op slikranden, en vaak trekken doortrekkers 's nachts roepend over.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Piepklein, met zwarte poten en een korte, rechte, fijne snavel met een stompe punt, en een ronde kop op een korte hals. Juvenielen in augustus en september zijn het opvallendst: helderwitte mantelstrepen die als een V op de rug staan, een gespleten wenkbrauwstreep, roestbruin gezoomde schouderveren en een schone witte borst met alleen wat waas aan de zijkanten. Adulten in zomerkleed hebben roodbruine kop- en borstzijden met een witte keel; in winterkleed zijn ze grijsbruin en effen, en dan gaat het vooral op formaat en snavelvorm. In vlucht een smalle witte vleugelstreep, een donkere streep midden over de stuit en snelle, wat fladderende slagen.
Verwarringssoorten
Temmincks strandloper is de belangrijkste verwarringssoort: die heeft geelolijve poten, een gelijkmatige grauwe borstband die scherp tegen de witte buik eindigt, geen mantelstrepen en witte buitenste staartpennen. Jonge bonte strandlopers zijn duidelijk groter, hebben een langere gebogen snavel en zwarte vlekken op de buik. Drieteenstrandloper is groter en witter, mist de achterteen en heeft een brede witte vleugelstreep. Krombekstrandloper is langpotiger en langsnaviger, met een witte stuit.
Leefgebied
Ondiepe, kale of licht begroeide slikranden waar zoet en zout elkaar raken: brakke lagunes, zoutpannen, inlagen, drooggevallen oevers van spaarbekkens, bezinkvelden en rioolwaterzuiveringen. Hij eet insectenlarven, kleine kreeftachtigen en wormpjes van de bovenste millimeters van het slik en pikt daarbij vrijwel altijd, in plaats van te sonderen. In het broedgebied op vochtige toendra met dwergberk en zeggen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in arctisch Fennoscandinavië en Siberië en overwintert vooral in Afrika en het Middellandse Zeegebied. In Noordwest-Europa een dunne voorjaarstrek in mei en een veel duidelijkere najaarstrek — eind juli adulten, vanaf half augustus juvenielen — met de meeste vogels aan de Noordzeekust (Deltagebied, Waddenkust) en op zoete binnenlandse plassen. In het Middellandse Zeegebied een talrijke doortrekker en plaatselijk overwinteraar, met concentraties in de Ebrodelta, Doñana, de zoutpannen bij Cádiz en de lagunes van La Mancha.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Eind augustus en begin september is het beste moment: zoek een drooggevallen brakke plas of een zoutpan met een lage, modderige rand en werk die met de telescoop af, meter voor meter. De vogels zijn zo klein dat ze in het opgaande licht wegvallen; ga met de zon in de rug staan en let op de witte V op de rug. Laat in de middag komen ze naar de open randen om te foerageren, vaak in gemengd gezelschap van bonte strandlopers en kemphanen.
Staat van instandhouding
Least Concern, met een zeer grote wereldpopulatie. De aantallen schommelen wel enorm van jaar tot jaar, doordat het broedsucces op de toendra afhangt van de lemmingcyclus: in een lemmingpiek jagen vossen en jagers op knaagdieren in plaats van op nesten, en volgt in augustus een najaar met opvallend veel juvenielen. Bedreigingen liggen vooral buiten het broedgebied, bij het verdwijnen van ondiepe wetlands in de Sahel en rond de Middellandse Zee.
Wetenschappelijke naam
Calidris minuta | (Leisler, 1812)
Leisler beschreef de soort in 1812 als Tringa minuta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. minuta is Latijn voor 'klein', naar het formaat van deze kleinste Europese strandlopers. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hanau in Duitsland.



