Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Paarse strandloper

Paarse strandloper | Calidris maritima

Purple sandpiper | Correlimos oscuro

De paarse strandloper is de enige steltloper die in Nederland vrijwel uitsluitend op steen leeft: pieren, dammen en basaltglooiingen, waar hij tussen de wieren en de golfslag scharrelt. Wie hem eenmaal weet te vinden, kan hem meestal tot op een paar meter naderen.

Paarse strandloper (Calidris maritima)
Hoofdfoto · Foto: Bjoertvedt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Meestal zwijgzaam; het meeste geluid krijg je te horen als een groepje opvliegt. De vluchtroep is een kort, wat knarsend kwiet-wiet, lager en voller dan dat van bonte strandloper, soms uitlopend in een zacht rollend prrrt. Bij ruzie op de steen een kort, nasaal gepiep. In Nederland hoor je vrijwel alleen deze roepjes; de trillende zang blijft voorbehouden aan de broedgebieden in het noorden.

Luister: RoepXC905748

Opname: Jochem Verweij — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Gedrongen, kortpotige strandloper met een opvallend donkere, leiblauwgrijze indruk en een scherp afgetekende witte buik met grove donkere vlekken op de flanken. De snavel is licht gebogen en aan de basis dofgeel tot oranje, de vrij korte poten zijn okergeel tot oranje: die twee kleuren samen zijn op afstand de snelste bevestiging. In winterkleed zijn kop, borst en mantel vrijwel effen donkergrijs met alleen fijne lichte veerzomen; in zomerkleed krijgen de schouderveren roodbruine randen en wordt de borst zwaarder gestreept. Juvenielen in het najaar zijn contrastrijker, met nette witte en roestige zomen aan alle dekveren. In vlucht een smalle witte vleugelstreep en een donkere stuit met witte zijkanten, en een snelle, laag over het water scherende vlucht.

Verwarrings­soorten

Bonte strandloper is de meest gemaakte verwarring op zeeweringen: die heeft zwarte poten en een langere, duidelijker naar beneden gebogen snavel zonder gele basis. Steenloper deelt vaak dezelfde stenen en heeft ook oranje poten, maar is bonter getekend en heeft een korte, wigvormige, spitse snavel. Kanoet is groter, bleker grijs en heeft groenige poten en een rechte snavel. Drieteenstrandloper is veel witter, mist de achterteen en houdt zich aan zandstrand, niet aan steen.

Leefgebied

Rotskusten en alles wat daarop lijkt: strekdammen, havenhoofden, pieren, basaltglooiingen en met mosselen en zeepokken begroeide stortsteen. Hij foerageert in de zone die net door de golven wordt geraakt en pikt slakjes, alikruiken, mosseltjes en kreeftachtigen van de wiervegetatie. Zandstrand en slikplaten worden gemeden; waar het wad geen steen heeft, ontbreekt de soort. In het broedgebied juist op droge toendra, grindvlakten en berghellingen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt in IJsland, Noorwegen, Spitsbergen, Noordwest-Rusland en arctisch Canada en overwintert langs de rotsige kusten van de Noord-Atlantische Oceaan, zuidwaarts tot in Iberië. Nederland ligt aan de zuidrand van het reguliere winterareaal: enkele honderden vogels op de kunstmatige harde kust van IJmuiden, Scheveningen, de Afsluitdijk, de Brouwersdam en de Deltawerken. In Spanje is hij een schaarse wintergast, vrijwel beperkt tot de rotskusten van Galicië, Asturië en Cantabrië, en zeldzaam verder naar het zuiden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop tussen november en februari bij opkomend water het buitentalud van een pier af en scan de natte stenen net boven de branding. De vogels bewegen weinig en zijn precies zo grijs als het basalt; vaak zie je eerst beweging en pas daarna de vogel. Bij hoogwater kruipen ze naar de bovenrand van de dam en zitten dan dicht opeen, wat het tellen en het vergelijken met steenlopers makkelijk maakt. Wind uit het westen met opstuwing zet ze hoger op de dam en dus beter in zicht.

Staat van instandhouding

Mondiaal Least Concern, met een groot broedareaal rond de hele Arctis. De West-Europese winterpopulatie neemt wel af; in het Verenigd Koninkrijk daalden de aantallen in de laatste 25 jaar met ruim tien procent, en ook in Nederland zijn de tellingen op de pieren lager dan in de jaren tachtig. Zachtere winters lijken de vogels noordelijker te laten blijven. Lokaal spelen verstoring door sportvissers en wandelaars op de dammen en het vervangen van ruwe stortsteen door glad beton een rol.

Wetenschappelijke naam

Calidris maritima | (Brünnich, 1764)

Brünnich beschreef de soort in 1764 als Tringa maritima; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. maritima is Latijn voor 'van de zee', van mare 'zee', naar het verblijf op rotsige kusten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Christiansø in Denemarken.