Alle soortenZangvogelsZwaluwen › Purperzwaluw

Purperzwaluw | Progne subis

Purple martin | Golondrina purpúrea

De grootste zwaluw van Amerika, en in het oosten van dat werelddeel vrijwel volledig afhankelijk van de mens: bijna alle paren broeden in uitgeholde kalebassen en houten flatjes die mensen in hun tuin op een paal zetten. In Europa is hij een uiterste zeldzaamheid — één Britse vogel, gevonden op de Buitenste Hebriden in september 2004, was meteen de eerste voor het hele Westelijke Palearctische gebied.

Purperzwaluw (Progne subis)
Foto: Shanthanu Bhardwaj — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vol, laag en rijk van klank, heel anders dan het dunne gekwetter van de Europese zwaluwen. De gewone roep is een keelachtig, warm tsjer-wiew of tsjoe-wiew, in de vlucht herhaald, met daarnaast een korter tsjoe en een schor zwrak bij onraad. Bij de kolonie klinkt een borrelend, klokkend gekwetter waarmee tientallen vogels tegelijk boven de nestpaal hangen; de zang van het mannetje voor zonsopgang is een langgerekte, gorgelende reeks die van ver draagt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Groot en zwaar voor een zwaluw, met de omvang van een spreeuw: brede, breed aangezette vleugels, een dikke borst, een zware kop en een matig gevorkte staart. Het oude mannetje is uniek: van kop tot staart glanzend blauwzwart met een purperen weerschijn, zonder één lichte veer — geen andere Amerikaanse zwaluw is helemaal donker van onderen. Vrouwtjes en jonge vogels zijn grijsbruin van boven, met een grijze, schubbige halskraag die naar achteren doorloopt, een vuilgrijze, wolkig gevlekte borst en een vuilwitte buik; de overgang van borst naar buik is diffuus en nooit een scherpe band. Jonge vogels doen er twee jaar over voordat ze het volwassen kleed hebben, zodat er in het najaar allerlei tussenvormen rondvliegen. De vlucht is traag en krachtig, met lange, hoge glijstukken op vlak gehouden vleugels, meer als die van een kleine roofvogel dan als de nerveuze slag van een boerenzwaluw.

Verwarrings­soorten

Er is in Europa niets waarmee hij op formaat te verwarren is: hij is anderhalf keer zo lang als een huiszwaluw en bijna twee keer zo zwaar. Een donker mannetje op afstand doet eerder aan een spreeuw of een gierzwaluw denken dan aan een zwaluw, maar de gierzwaluw is slank en sikkelvormig en heeft geen gevorkte staart met brede basis. Vrouwtjes en jonge vogels zijn het echte probleem: die kunnen op een zeer grote huiszwaluw lijken, maar die is spierwit van onderen met een grote witte stuit en een korte staart, terwijl de purperzwaluw een vuilgrijze, gevlekte borst heeft en een egaal donkere stuit. Oeverzwaluw heeft een scherp afgetekende bruine borstband en is veel kleiner. Wie in Europa een zwaluw ziet die te groot en te log lijkt, meet hem het beste af tegen de zwaluwen ernaast en fotografeert kop, borst en stuit.

Leefgebied

In Noord-Amerika een vogel van open land bij water: dorpsranden, boerenerven, parken, jachthavens en oevers van meren en plassen, waar hij hoog boven het open veld en het water jaagt. In het oosten broedt vrijwel de hele populatie in door mensen opgehangen kalebassen en meergezinsnestkasten op een paal, bij voorkeur vrijstaand op korte afstand van een huis en met vrij zicht rondom. In het westen gebruikt hij nog wel oude spechtenholen in dode bomen en in reuzencactussen. Buiten de broedtijd verzamelt hij zich in enorme gezamenlijke slaapplaatsen in riet en bomen, groepen die op weerradar zichtbaar zijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Noord-Amerika, van Canada tot Mexico, met een overwinteringsgebied in het Amazonebekken van Brazilië, Bolivia en Peru. Een vogel in Europa zit dus een hele oceaan verkeerd. Het enige aanvaarde Europese geval is een jonge vogel bij de Butt of Lewis op de Buitenste Hebriden op 5 en 6 september 2004, unaniem in categorie A van de Britse lijst opgenomen en tevens de eerste voor het Westelijke Palearctische gebied; op 6 september van datzelfde jaar zat er een op Flores op de Azoren, en in 2011 volgde daar een tweede. Nederland en Spanje hebben geen geval. Uit de negentiende eeuw bestaan vier afgewezen claims, waaronder een exemplaar dat in 1839 of 1840 bij Kingstown onder Dublin zou zijn verkregen en dat nog in Dublin wordt bewaard.

Waar en wanneer kijken

De eerste helft van september, twee tot vier dagen nadat een snelle Atlantische depressie de oceaan is overgestoken, en dan op de buitenste eilanden en kaapjes van Ierland, Schotland en de Azoren. Kijk niet naar zee maar naar de luwte: boven een dorp, een haven of een beschutte plas, waar de plaatselijke huis- en boerenzwaluwen jagen. Het formaat doet het werk — een vogel die tussen die zwaluwen als een spreeuw oogt en op vlakke, stijve vleugels lange stukken glijdt, verdient direct de camera, met beelden van de borst en de stuit.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar de Noord-Amerikaanse stand is in het oosten van het areaal aan het teruglopen en de soort is daar volledig afhankelijk geworden van een leger van vrijwilligers dat elk voorjaar kalebassen en nestflats ophangt en schoonhoudt. Concurrentie om de nestkasten met de ingevoerde huismus en spreeuw is het grootste directe knelpunt; koude, natte periodes vlak na aankomst kunnen hele kolonies wegvagen omdat er dan geen vliegende insecten zijn. Het aantal Europese gevallen zegt hier niets over: dat volgt het weer boven de Atlantische Oceaan.