Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Sierlijke stern
Sierlijke stern | Thalasseus elegans
Elegant Tern | Charrán elegante
De sierlijke stern is de slankste van de kuifsterns: een lange, dunne, licht doorbuigende oranje snavel, een wapperende zwarte kuif en in de broedtijd een roze aangelopen borst. Bijna de hele wereldpopulatie broedt op een handvol eilanden in de Golf van Californië en op een paar Zuid-Californische stranden.
Geluid
Een hard, krassend karrik of kie-riek, hoger en scherper dan het geluid van de koningsstern en met een duidelijke knik in het midden. Boven de kolonie op Isla Rasa staat een muur van geluid: tienduizenden vogels roepen tegelijk en het geraas draagt kilometers over het water. Op zee is een vliegende vogel meestal stil, tot hij een school ansjovis vindt en het roepen weer losbarst. Jongen bedelen met een dun, opgaand tsjiep dat de ouder tussen honderden andere herkent.
Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · J Street Marina, Chula Vista, San Diego Co, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote stern met een lange, dunne snavel die naar de punt toe iets doorbuigt en oranje tot oranjerood is. In broedkleed loopt de zwarte kap achter uit in een lange, losse kuif die bij wind als een vaantje achteruit staat; de onderdelen zijn wit met een zachte rozerode gloed die alleen in goed licht opvalt. Buiten de broedtijd wordt het voorhoofd wit, maar het zwart blijft tot rondom het oog staan, zodat het masker donker oogt. De poten zijn zwart, de mantel bleekgrijs, de buitenste handpennen donkergrijs. Jonge vogels zijn grijzer en fijn geschubd op de rug, met een kortere gele snavel.
Verwarringssoorten
De koningsstern (Thalasseus maximus) is groter en zwaarder, met een dikke rechte snavel van dieper oranje, en heeft buiten de broedtijd een breed wit voorhoofd waarbij het zwart al vóór het oog ophoudt — bij de sierlijke stern reikt het zwart tot om het oog heen. De grote stern (T. sandvicensis) heeft een zwarte snavel met gele punt en broedt aan de Atlantische kant, zodat er nauwelijks overlap is. De reuzenstern is veel forser, met een bloedrode snavel en van onderen donkere handpennen. Houd vooral de snavel tegen de kop: bij de sierlijke stern is hij ongeveer even lang als de kop, bij de koningsstern korter en zwaarder.
Sterns vergelijken: snavel, poten, kop en staart naast elkaar
Leefgebied
Broedt op vlakke, kale eilanden met grind of schelpen, dicht opeen en vaak tussen Heermanns meeuwen; op het vasteland gebruikt hij opgespoten terreinen en afgesloten zoutpannen. Foerageert in de kustzone en tot enkele kilometers uit de kust boven scholen ansjovis en sardines, waar hij stootduikt. Rust op zandstranden, slikplaten, rotsen en havenpalen. Zoet binnenwater gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt op Isla Rasa en Isla Montague in de Golf van Californië en op enkele plekken in Zuid-Californië, waaronder San Diego Bay en Bolsa Chica; in Californië doet hij dat pas sinds 1959. Na het broedseizoen trekken duizenden vogels eerst noordwaarts langs de Californische kust tot in Oregon, soms tot Washington, voordat ze in het najaar zuidwaarts gaan. Overwinteren doet hij langs de Pacifische kust van Midden-Amerika tot Peru en Midden-Chili, ver buiten het gidsgebied. Sinds 1982 duiken losse vogels op in West-Europa, waar hij in Spanje heeft gebroed en zich met de grote stern heeft gekruist.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in juli en augustus op de zandbanken van de Californische riviermondingen, tussen de koningssterns: let op de dunne, doorbuigende snavel en de lange kuif. In de ochtend liggen de rustgroepen meestal op de plaat aan de zeezijde; tegen de middag verkassen ze naar de lagunes. Blijft het strand leeg, dan zegt dat vaak meer over de ansjovisstand dan over de vogel.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT) op de Rode Lijst, niet omdat de aantallen laag zijn — ongeveer 90.000 broedparen — maar omdat ze op zo weinig plaatsen zitten dat één slecht jaar de hele soort raakt. Op Isla Rasa broedt het grootste deel van de wereldpopulatie; ratten en muizen zijn daar met succes verwijderd, maar verstoring blijft gevaarlijk: in 2021 verlieten in Bolsa Chica ongeveer 1500 paren hun nest nadat een drone boven de kolonie was neergestort. Daarnaast bepaalt de ansjovisstand het broedsucces, en in warme El Niño-jaren mislukken hele kolonies.
Wetenschappelijke naam
Thalasseus elegans | (Gambel, 1849)
William Gambel beschreef de soort in 1849 als Sterna elegans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thalasseus werd in 1822 ingevoerd door Friedrich Boie en gaat terug op het Griekse thalassa, 'zee'. elegans is Latijn voor 'keurig, sierlijk' — een oordeel over de lange snavel en de losse kuif dat de Nederlandse, de Engelse en de Spaanse naam alle drie hebben overgenomen. Het beschreven exemplaar kwam uit Mazatlán in Sinaloa, aan de Mexicaanse westkust.



