Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Koningsstern
Koningsstern | Thalasseus maximus
Royal Tern | Charrán real
De koningsstern is de grote oranjesnavelige stern van de Amerikaanse kusten: bijna een halve meter lang, met een zware dolkvormige snavel en het grootste deel van het jaar een breed wit voorhoofd onder een zwarte nekband. Hij broedt met duizenden tegelijk, zo dicht opeen dat de nesten elkaar raken, en brengt zijn jongen daarna samen in één grote troep op het strand.
Geluid
Een kort, schel krie of tsjirr, helderder en lager dan het krassen van de grote stern en vaak in reeksen van twee of drie. Daarnaast een langgerekt, rollend fluitje dat aan een plevier doet denken en dat vooral boven de kolonie klinkt. Vliegende vogels roepen onderweg geregeld, ook hoog boven het strand. Jongen in de troep roepen een schril, tweelettergrepig ki-rrie waaraan de ouder ze tussen honderden andere herkent.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grote, zware stern met lange smalle vleugels, een diep gevorkte staart en korte zwarte poten. De snavel is dik, recht en helder oranje, in de vorm van een dolk. In broedkleed is de kruin zwart met een ruige kuif, maar dat kleed duurt kort: al vanaf mei wordt het voorhoofd wit en blijft er een brede zwarte band over de achterkop staan, die ophoudt vóór het oog. Rug en vleugels zijn bleekgrijs, de buitenste handpennen donker, de rest van de vogel wit. Jonge vogels hebben zandkleurige tekening op de rug, een donkere vleugelboeg en een blekere oranjegele snavel.
Verwarringssoorten
De reuzenstern is nog groter en heeft een kolossale bloedrode snavel met donkere punt, een minder diep gevorkte staart en een duidelijk donkere ondervleugelpunt; bovendien houdt zij het hele jaar een grotendeels donkere kruin. De sierlijke stern (Thalasseus elegans) is kleiner, met een langere, dunnere, doorbuigende snavel, en het zwart op de kop reikt buiten de broedtijd tot om het oog in plaats van erachter. De grote stern (T. sandvicensis) is kleiner en heeft een zwarte snavel met gele punt. Op afstand helpt de vlucht: de koningsstern slaat trager en dieper dan de kleinere sterns, maar lichter en sneller dan de reuzenstern.
Leefgebied
Warme kustwateren, het hele jaar door: zeegaten, baaien, estuaria en de eerste kilometers open zee. Broedt op kale zandeilanden, schelpenbanken en opgespoten baggereilanden, altijd in dichte kolonies en vaak tussen lachmeeuwen. Bij het voeren van jongen vliegt hij tot tientallen kilometers uit de kust. Zoet water gebruikt hij zelden; waarnemingen ver landinwaarts zijn bijna altijd het gevolg van een storm.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Aan de Atlantische kant broedt hij van Virginia tot Florida en verder langs de Golfkust tot Texas, aan de Pacifische kant van Zuid-Californië tot Sinaloa en de Islas Marías, en daarnaast op eilanden in het Caribisch gebied. Buiten de broedtijd blijft hij aan diezelfde kusten, noordwaarts tot ongeveer North Carolina en zuidwaarts tot Panama en de Guyana's, zodat een groot deel van de vogels het hele jaar binnen dit kaartbeeld blijft. Jonge vogels zwerven in de nazomer noordwaarts tot New Jersey en soms Long Island. De West-Afrikaanse vogels, die vroeger tot dezelfde soort werden gerekend, zijn in 2020 afgesplitst.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk in de zomer vanaf een pier of strandhoofd naar de sterns die met de kop omlaag langs de branding jagen: de koningsstern is de grootste met een oranje snavel en de meest zichtbare duik, waarbij hij een eind onder water verdwijnt. Bij laag water liggen op de zandplaat rustgroepen waarin de kuifsterns naast elkaar staan — dat is de beste plek om het verschil met de grote stern te leren zien.
Staat van instandhouding
In Noord-Amerika broeden naar schatting 100.000 tot 150.000 vogels, wereldwijd ongeveer een kwart miljoen; de trend is stabiel. De Rode Lijst voert de soort in haar huidige begrenzing als niet beoordeeld (NE), omdat de West-Afrikaanse vogels er pas kortgeleden van zijn gescheiden. Springtij en tropische stormen kunnen hele kolonies wegspoelen, en op het vasteland vormen vossen, wasberen en loslopende honden een probleem; eilanden van opgespoten zand, zonder verbinding met de kust, zijn daarom belangrijke broedplaatsen geworden.
Wetenschappelijke naam
Thalasseus maximus | (Boddaert, 1783)
Pieter Boddaert beschreef de soort in 1783 als Sterna maxima, naar een van de gekleurde platen bij Buffon; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thalasseus, van het Griekse thalassa ('zee'), werd in 1822 ingevoerd door Friedrich Boie en is pas in deze eeuw weer algemeen in gebruik geraakt. maximus is Latijn voor 'de grootste': van de sterns die Boddaert kende was dit de zwaarste. Het beschreven exemplaar kwam uit Cayenne in Frans-Guyana.



