Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Grote stern

Grote stern | Thalasseus sandvicensis

Sandwich Tern | Charrán patinegro

De grote stern is de zwartsnavelige kuifstern van de zandplaten: papierbleek, slank, met een lange zwarte snavel waarvan alleen het uiterste puntje geel is. Aan beide zijden van de Atlantische Oceaan broedt hij in dichte kolonies op kale zandeilanden; in Noord-Amerika van Virginia tot Texas en verder de Golf en de Antillen in.

Grote stern (Thalasseus sandvicensis)
Foto: MPF — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het handelsmerk van de soort: een hard, krassend kirrik of kerr-ink met de klemtoon op de tweede lettergreep, dat over honderden meters draagt. Boven een kolonie lopen tientallen van die roepen door elkaar en wordt het een schril, aanhoudend geraas. Vliegende vogels roepen bijna onafgebroken, ook 's nachts, en jongen op het strand antwoorden met een dunner, piepend tsjie-tsjie. Aan die ene roep herken je de soort al voordat je hem ziet: koningsstern en sierlijke stern klinken lager en korter.

Luister: VluchtroepXC1176900

Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · Dragey-Ronthon, Manche, Normandie, France · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote, slanke stern met lange smalle vleugels, een ondiep gevorkte staart en zwarte poten. De snavel is lang, dun en zwart met een scherp afgetekende gele punt, die in het veld op een druppel was lijkt. In broedkleed draagt hij een zwarte kap die achter op de kop uitloopt in een ruige, opstaande kuif; buiten de broedtijd wordt het voorhoofd wit en blijft alleen een zwarte band over de achterkop staan. Man en vrouw zijn gelijk. Jonge vogels hebben een donker geschubde rug, een grauwe kruin en een kortere donkere snavel waarvan de gele punt vaak nog ontbreekt.

Verwarrings­soorten

De koningsstern (Thalasseus maximus) is fors groter en heeft een zware, rechte, geheel oranje snavel zonder gele punt. De sierlijke stern (T. elegans) van de Grote Oceaan heeft een langere, dunnere, iets doorbuigende oranje snavel en een langere kuif, en de twee komen nauwelijks in hetzelfde gebied voor. De reuzenstern is nog veel groter, met een kolossale bloedrode snavel en een donkere ondervleugelpunt. Bij jonge vogels is de gele snavelpunt onbetrouwbaar; let dan op formaat, op de zwarte poten en vooral op de roep.

Leefgebied

Broedt op kale, lage zandeilanden en schelpenbanken langs de kust, meestal midden tussen koningssterns of lachmeeuwen, van wier waakzaamheid hij profiteert. Foerageert in ondiep water vlak voor de kust, in zeegaten, estuaria en lagunes; de open oceaan mijdt hij. Landinwaarts komt hij vrijwel niet, behalve wanneer een orkaan hem daar neerzet. Buiten de broedtijd rust hij op zandbanken, strandhoofden en pieren, vaak in gemengde groepen met andere sterns.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Aan de Amerikaanse Atlantische kust broedt hij van Virginia zuidwaarts tot Florida en verder langs de Golf van Mexico tot Texas, met kolonies op Yucatán en in het Caribisch gebied. In de winter blijven veel vogels in Florida, aan de Golfkust en op de Antillen, terwijl het zwaartepunt zuidwaarts schuift tot Midden-Amerika en de noordkust van Zuid-Amerika. Na het broedseizoen zwerven jonge vogels langs de kust noordwaarts tot Maryland en New Jersey. De Amerikaanse vogels vormen de ondersoort acuflavidus, die door sommige lijsten als aparte soort wordt behandeld; AviList, de bron van deze gids, houdt hem bij de grote stern.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de zomer op een zandplaat bij een zeegat, tussen de rustende koningssterns: hij is duidelijk kleiner en zijn snavel is zwart in plaats van oranje. Loop de rij langzaam met de telescoop af en let op het gele topje — dat licht op zodra de vogel zijn kop draait. Bij aanlandige branding jaagt hij vlak achter de golven, en dan zie je de stootduik van dichtbij.

Staat van instandhouding

Wereldwijd gaat het om enkele honderdduizenden vogels; in de Verenigde Staten om ongeveer 94.000 broedvogels, met een stabiele tot licht toenemende trend. De dichte kolonies maken hem kwetsbaar: één overstroming, één vos of één verstoring kan een heel eiland doen mislukken. Kusterosie en zeespiegelstijging nemen broedeilanden weg, maar op opgespoten zandeilanden vestigt hij zich gemakkelijk. In Noordwest-Europa sloeg de vogelgriep in 2022 grote gaten in de kolonies; in Noord-Amerika bleef de schade tot dusver beperkt.

Wetenschappelijke naam

Thalasseus sandvicensis | (Latham, 1787)

John Latham beschreef de soort in 1787 als Sterna sandvicensis; omdat ze later naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thalasseus werd in 1822 ingevoerd door Friedrich Boie en komt van het Griekse thalassa, 'zee'. sandvicensis betekent 'van Sandwich': het beschreven exemplaar kwam uit Sandwich in Kent, Engeland, hetzelfde stadje waaraan de graven van Sandwich — en via hen de boterham — hun naam ontlenen. De Noord-Amerikaanse vogels heten Thalasseus sandvicensis subsp. acuflavidus, 'met de scherpe gele punt'.