Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Perzische roodborst
Perzische roodborst | Irania gutturalis
White-throated robin | Ruiseñor coliblanco
De perzische roodborst is een slanke, langstaartige zanger van droge berghellingen, en het mannetje hoort tot de mooiste vogels van het Midden-Oosten: leiblauw, met een zwart masker, een witte keelstreep en een oranje borst. Hij broedt van Turkije en de Kaukasus tot Iran en Afghanistan en overwintert in Oost-Afrika.
Geluid
De zang is een snelle, hoge, ratelende woordenstroom die van een struiktop of vanuit een korte zangvlucht wordt afgestoken, met veel imitaties van soorten uit de omgeving; in toon is hij dunner en gehaaster dan die van de nachtegaal, en hij mist diens diepe fluittonen en lange stiltes. Het mannetje zingt vooral in de eerste uren na zonsopgang en opnieuw tegen de avond. De roep is een scherp, tweelettergrepig tsjis-it dat sterk aan een witte kwikstaart doet denken, en bij onrust een hard, ratelend trrrt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groter en veel slanker dan een roodborst, met lange poten en een opvallend lange, gitzwarte staart die vaak wordt opgewipt en gespreid. Het mannetje heeft leigrijze bovendelen, een zwart gezicht en zwarte keelzijden met daartussen een smalle witte keelstreep, een dunne witte wenkbrauw, en oranjeroodbruine borst en flanken die scherp afsteken tegen een witte buik en witte onderstaartdekveren. De zwarte staart, die bij het spreiden geen wit toont, is in alle kleden het beste kenmerk. Het vrouwtje is veel grauwer: grijsbruin van boven, vuilwit van onder met een oranje waas op de flanken, een lichte keel en dezelfde lange zwarte staart. Jonge vogels zijn geschubd, maar hebben de staart al.
Verwarringssoorten
Het mannetje is onmiskenbaar zodra het gezicht en de staart zichtbaar zijn. Het vrouwtje is het lastige geval en wordt in het Midden-Oosten geregeld voor iets anders aangezien: vrouwtjes en najaarsvogels van de roodstaarten hebben een roestrode staart die voortdurend trilt — precies het omgekeerde van de effen zwarte, meer gespreide staart van deze soort. Nachtegaal en noordse nachtegaal zijn korter van poot, ronder van vorm en missen de witte keel tegen een grauw gezicht. De rotslijsters zijn veel forser en zwaarder van snavel. Bij twijfel: kijk naar de staart en naar de lange poten, en let op de rechtopstaande houding op een steen of een lage struiktop.
Leefgebied
Droge, stenige berghellingen met verspreide struiken: doornstruweel, amandel, jeneverbes en meidoorn op puin- en rotshellingen, meestal tussen 1.000 en 2.500 meter. Belangrijk is de afwisseling van kale, stenige grond om op te foerageren en dichte lage struiken om in te verdwijnen. Waar bergbeken door ravijnen snijden, zit hij ook in het dichtere struweel langs het water, en in Israël en Turkije komt hij tot in verruigde boomgaarden aan de rand van het gebergte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van West- en Midden-Turkije door de Kaukasus, Armenië en Azerbeidzjan tot in Iran, Turkmenistan en Afghanistan; in het uiterste westen bereikt hij Griekse eilanden als Lesbos, waar enkele paren broeden. Dat hele broedgebied ligt binnen het kaartgebied, maar de winter brengt hij door in Oost-Afrika — Ethiopië, Kenia, Tanzania — ver daarbuiten. Op trek is hij talrijk in Israël en Jordanië. Naar Noordwest-Europa is hij een uiterst zeldzame dwaalgast, met enkele gevallen voor Groot-Brittannië, Nederland en Scandinavië.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei op een zonnige, stenige helling met verspreid struweel in Centraal- of Oost-Turkije, vroeg in de ochtend. Loop langs de helling en scan de struiktoppen: het zingende mannetje kiest bijna altijd de hoogste tak van een lage struik of een uitstekende rots. Hoor je het kwikstaartachtige tsjis-it, blijf dan staan en wacht — de vogel komt vanzelf een paar meter dichterbij en spreidt dan die zwarte staart. Op Lesbos loont het om in mei de droge hellingen bij Ipsilou af te lopen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in het kerngebied plaatselijk talrijk. De soort is gebonden aan een landschap dat onder druk staat: overbegrazing die de struiklaag wegvreet, het rooien van doornstruweel voor akkerbouw en de aanleg van wegen en groeven in berghellingen. Waar het struweel op stenige hellingen blijft staan, houdt hij goed stand.



