Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Grijze salangaan
Grijze salangaan | Aerodramus terraereginae
Australian Swiftlet | Salangana de vanikoro
De grijze salangaan is de kleinste gierzwaluw van Australië en de enige die in het land broedt: een onopvallend grijsbruin vogeltje van nauwelijks twaalf centimeter dat de dag boven het tropische Queensland in de lucht doorbrengt en 's nachts in grotten en kloven terugkeert. Hij hoort bij het kleine groepje vogels dat kan echoloden en vindt zijn nest in het volstrekte donker op het gehoor.
Geluid
In de lucht klinkt een ijl, hoog getjilp dat boven een foeragerende groep als een fijn geratel blijft hangen en makkelijk voor insectengezoem wordt aangezien. Bij de grot verandert dat geluid: zodra de vogel het donker in vliegt, begint hij te klikken — korte, metalige dubbelklikken met een frequentie tussen ongeveer één en tien kilohertz, dus laag genoeg om voor een mens gewoon hoorbaar te zijn, anders dan bij vleermuizen. Met die klikken meet hij de gang en vindt hij zijn eigen nest tussen honderden andere terug. Rond een bezette grot staat 's ochtends en 's avonds een aanhoudend geratel van in- en uitvliegende vogels.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een heel klein, gedrongen gierzwaluwtje van elf tot twaalf centimeter met smalle sikkelvormige vleugels en een korte, licht ingesneden staart die in de vlucht meestal gesloten en stomp oogt. De bovendelen zijn donker grijsbruin, het voorhoofd en de kop zijn wat bleker, en de onderdelen zijn egaal grijs zonder tekening. De binnenlandse ondersoort chillagoensis is kleiner en bleker. Er is geen wit in het kleed — geen stuitband, geen keelvlek — en juist die volledige eentonigheid is het kenmerk. De vlucht is flappend en schokkerig, met korte glijstukken, en veel minder gestrekt dan die van de grote gierzwaluwen.
Verwarringssoorten
De siberische gierzwaluw (Apus pacificus) en de stekelstaartgierzwaluw (Hirundapus caudacutus) zijn allebei anderhalf tot twee keer zo lang en drie tot negen keer zo zwaar, en beide hebben opvallend wit in het kleed — een stuitband bij de eerste, een wit hoefijzer onder de staart bij de tweede. De feezwaluw (Petrochelidon ariel) en de Australische boomzwaluw (Petrochelidon nigricans) zijn de echte struikelblokken, want die zijn ongeveer even klein: beide hebben een bleke stuit en een veel fladderender, minder vinnige vlucht, en de feezwaluw bovendien een roestbruine kop. Zwervende salangaansoorten uit Nieuw-Guinea zijn buiten de broedgrot nauwelijks met zekerheid van deze soort te scheiden; zit de vogel niet in een bekende kolonie, dan blijft twijfel gerechtvaardigd.
Leefgebied
Broeden doet hij uitsluitend in grotten en diepe kloven — kalksteengrotten in het binnenland, granietkloven en zeegrotten aan de kust — waar hij zijn nest van speeksel, gras, casuarinanaalden, twijgjes en veren tegen de wand plakt, twee tot twintig meter boven de bodem. Jagen doet hij in de lucht boven alles wat binnen een dag of dertig kilometer van de kolonie ligt: regenwoudranden, savanne met eucalyptus, weiland en veeteeltland, kloven en stranden, van zeeniveau tot ongeveer duizend meter hoogte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Uitsluitend Queensland, van de Claudie River op Kaap York zuidwaarts tot de Eungella Range bij Mackay, vooral in de kuststrook en het aangrenzende bergland. De ondersoort chillagoensis zit apart in het droge binnenland, in de kalksteengebieden van Chillagoe en in de districten Palmer en Mitchell. Hij is standvogel en blijft het hele jaar bij zijn kolonies; in de rest van Australië, op Tasmanië en in Nieuw-Zeeland komt hij niet voor. Buiten Australië leeft hij nergens: de soort is endemisch voor Queensland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga aan het eind van de middag bij de kalksteengrotten van Chillagoe of bij een bekende kustgrot in de natte tropen staan en wacht de terugkeer af; de vogels komen in dichte drommen binnen en schieten met grote snelheid door de opening — waarnemers hebben snelheden tot ruim honderd kilometer per uur gemeld. Wie geen kolonie kan bereiken, zoekt boven een open plek in het regenwoud of boven een veeweide bij Cairns of Mission Beach: daar jagen ze de hele dag. Let op het formaat en op het ontbreken van elk wit; dat scheidt ze van de zwaluwen waarmee ze meestal in dezelfde lucht rondvliegen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): het aantal is groot en stabiel, al ligt het hele areaal in één deelstaat. De kwetsbaarheid zit niet in het jachtgebied maar in de broedplaatsen, want een soort die in enkele tientallen grotten en kloven broedt, verliest bij verstoring van één kolonie meteen veel. Betreden van grotten in het broedseizoen, mijnbouw in kalksteengebieden en de belangstelling voor eetbare salangaannesten zijn de risico's die worden genoemd; de nesten van deze soort bevatten veel plantaardig materiaal en zijn commercieel weinig waard, wat de druk beperkt houdt.
Wetenschappelijke naam
Aerodramus terraereginae | (Ramsay, 1875)
Ramsay beschreef de vogel in 1875 als Cypselus terrae-reginae; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aerodramus werd in 1906 ingevoerd door Oberholser, uit het Griekse aer, 'lucht', en dromos, 'renbaan' of 'loper'. terraereginae is Latijn voor 'van het land van de koningin' — Queensland, de deelstaat die naar koningin Victoria is genoemd en waar de soort uitsluitend voorkomt. De typelocatie zijn de kustketens in het noordoosten, bij Cardwell in Queensland. Lange tijd werd de vogel als ondersoort van de witstuitsalangaan (Aerodramus spodiopygius) behandeld; de Nederlandse en de Spaanse naam stammen nog uit die periode.



