Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Bijeneters › Arabische groene bijeneter
Arabische groene bijeneter | Merops cyanophrys
Arabian green bee-eater | Abejaruco esmeralda árabe
Een piepkleine, smaragdgroene bijeneter van de woestijnwadi's van Israël en Jordanië, nauwelijks groter dan een spreeuw. Hij jaagt vanaf een lage acaciatak of een prikkeldraad en keert na elke uitval naar dezelfde tak terug.
Geluid
Een droog, hoog, rollend trie-trie-trie of tit-tit-tit, veel ijler en scherper dan het volle proe-proe van de bijeneter en zelden ver dragend. Het hele jaar te horen; paren roepen elkaar van naburige takken toe, en bij verstoring lopen de tonen aaneen tot een snel geratel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein en slank, met een dunne, licht gebogen zwarte snavel, spitse vleugels en twee naaldfijne middelste staartpennen die ongeveer twee centimeter buiten de staart uitsteken; de lengte hierboven is exclusief die pennen. Het kleed is overwegend grasgroen met een koperige gloed over vleugels en staart. Voorhoofd en wenkbrauw zijn hemelsblauw, kin en keel blauw, en over de bovenborst loopt een smalle zwarte halvemaan. Een dunne zwarte oogstreep scheidt het blauw van het groen; de iris is rood, de poten donkergrijs. Jonge vogels zijn doffer, missen de staartpennen en hebben nog geen zwarte borstband.
Verwarringssoorten
De groene bijeneter broedt in dezelfde valleien en is de enige echte verwarringssoort: die is bijna twee keer zo lang, heeft een roestbruine keel onder een gele kin en een blauwgroene wangvlek, en zijn staartpennen meten zes tot acht centimeter. De bijeneter is nog groter en kastanjebruin met goud. Het formaat is doorslaggevend, en het gedrag helpt mee: deze vogel jaagt als een uit de kluiten gewassen vliegenvanger vanaf een lage tak, en niet in rondcirkelende, roepende groepen hoog in de lucht.
Leefgebied
Warme, open woestijn- en halfwoestijnvalleien met verspreide acacia's en tamarisken, en daarnaast dadelpalmtuinen, bevloeide akkers, kibboetstuinen en de randen van vissenvijvers en rioolwaterbekkens. Volkomen kale, plantenloze woestijn mijdt hij. De nestgang graaft hij in een lage zandwand, langs een geul of gewoon in vlak zand, meestal alleen of met een paar paren bijeen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van oorsprong een vogel van Arabië en de Sinaï, die binnen het kaartgebied de Arava, de Negev, de oevers van de Dode Zee en de omgeving van Eilat bezet, en in Jordanië Wadi Araba, Aqaba en de zuidelijke wadi's. In Israël schuift hij op naar het noorden, geholpen door irrigatie en bebouwing. Hij wordt sinds 2021 als aparte soort behandeld, los van de groene bijeneters van Afrika en Azië. In Nederland en de rest van Europa komt hij niet voor.
- Jaarrond
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Eén ochtend in de Arava levert hem vrijwel zeker op: rijd langs de akkerranden en de vissenvijvers van Neot Semadar, Yotvata of Lotan en kijk op prikkeldraad, dorre takken en irrigatieleidingen. In de winter zitten de vogels tot laat in de ochtend rustig te zonnen; in de zomer zijn het eerste en het laatste uur licht de beste momenten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in aantal toenemend. Irrigatielandbouw, tuinen en waterbekkens hebben insecten en zitplaatsen gebracht in woestijn waar die er niet waren, en de soort is daardoor door Israël heen naar het noorden opgeschoven. Wat hem schaadt is het gladtrekken en dichtgooien van de lage zandwanden waarin hij graaft, en het gebruik van insecticiden op de bevloeide akkers.



