Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Gestreepte dwergooruil
Gestreepte dwergooruil | Otus brucei
Pallid scops owl | Autillo persa
Een dwergooruiltje van de droge kant van het kaartgebied: bleek zandgrijs, kalm en traag, en 's nachts te herkennen aan een klok die niet ophoudt. Waar de gewone dwergooruil bij de Middellandse Zee hoort, hoort deze bij de dadelpalmen en de populieren langs de Jordaan. Hij is de enige ooruil die je in de Levant midden in de winter kunt horen roepen.
Geluid
Het mannetje roept een laag, hol, duifachtig woep, één toon per seconde à seconde, met de regelmaat van een metronoom. Tellingen komen uit op vijfenzestig tot negentig noten per minuut — twee tot drie keer zo snel als de dwergooruil, die één toon per twee à drie seconden geeft en veel hoger en fluitender klinkt. Van alle ooruilen van het gebied is dit de laagste stem. Mooi is het begin: hij zet vrijwel onhoorbaar in en laat de reeks over enkele minuten aanzwellen in volume en toonhoogte, zodat je hem eerst denkt te verbeelden en hem daarna niet meer kunt wegdenken. Het vrouwtje antwoordt met een korte, hese roep. Roepen doet hij vanaf maart, met een piek half april; overwinteraars in Israël zwijgen doorgaans volledig.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een klein uiltje met korte oorpluimen, iets forser en breder van kop dan de gewone dwergooruil, maar op afstand vooral opvallend door wat er ontbreekt. Het kleed is bleek zandgrijs tot lichtbruingrijs en oogt egaal, met lange, dunne, kaarsrechte zwarte lengtestrepen als potloodhalen — geen fijne marmering en geen dwarse kriebels die het patroon breken. De gezichtssluier is licht crème met een smalle donkere rand, de ogen zijn geel, de snavel hoorngrijs. Kenmerkend en met een verrekijker goed te zien: de bevedering van de poot loopt door tot op het eerste stuk van de tenen. Er is geen roodbruine kleurvorm; alle vogels zijn zandkleurig. In vlucht smal en recht, met een rustiger, minder schokkerige slag dan zijn verwant.
Verwarringssoorten
De dwergooruil is de enige echte verwarring, en drie dingen beslissen. Ten eerste de tekening: op de gestreepte dwergooruil staan alleen lange, losse potloodstrepen op een egale ondergrond, zonder de dwarse vermiculatie die het kleed van de dwergooruil tot bewegend schorspatroon maakt. Ten tweede de poot: bij de gestreepte lopen de veertjes door tot op de basis van de tenen, bij de dwergooruil stopt de bevedering hoger en zijn de tenen kaal. Ten derde en het gemakkelijkst: het seizoen. In de Levant is de dwergooruil zomervogel en de gestreepte dwergooruil juist in de winter aanwezig, dus een ooruiltje in een dadeltuin in januari is er geen twijfel over. Ook de zang scheidt ze onmiddellijk, zie hieronder. Een steenuil in dezelfde wadi is korter, breder en platkoppig zonder oorpluimen en zit overdag in de zon.
Leefgebied
Halfopen boomland in droge streken, altijd waar water is: populieren-, wilgen- en tamariskenbos langs rivieren en wadi's, dadelplantages, pistache- en amandelboomgaarden, tuinen bij dorpen en de bomen rond boerderijen. Hij vraagt holtes in oude bomen, muren of rotsen en jaagt vanaf een lage tak op grote insecten, spinnen, hagedissen en af en toe een muis. Gesloten bos ontbreekt in zijn wereld; kale woestijn zonder bomen mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Turkije en de Levant oostwaarts door Iran en Centraal-Azië tot Noordwest-India. Binnen het kaartgebied is het een soort van Israël en Jordanië: hij overwintert in kleine aantallen in het Jordaandal, de Aravavallei en rond de Dode Zee, en sinds enkele jaren broedt een handvol paren in de Slenk. De klassieke plek voor Europese vogelaars ligt nét buiten het kaartbeeld, bij Birecik aan de Eufraat in Zuidoost-Turkije, waar de soort in de tuinen en pistacheboomgaarden broedt. In Nederland is hij nooit vastgesteld.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in december of januari in het Jordaandal of de Aravavallei een dadeltuin of een rij oude populieren op, en ga na het donker een halfuur stilstaan. De roep is zo laag dat hij makkelijk wegvalt tegen verkeer of wind; kies daarom een windstille avond en een plek weg van de weg. Overwinteraars zwijgen meestal, dus scan met een verrekijker de stammen en de zware zijtakken af: de vogel zit graag laag en pal tegen het hout. Gebruik geen geluid en geen felle lamp — een korte, zwakke rode straal is genoeg.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; het areaal is enorm en de soort is in Iran en Centraal-Azië plaatselijk gewoon. Aan de westrand van het areaal, in Turkije en de Levant, is hij schaars en kwetsbaar, omdat hij daar afhangt van een smalle strook oude bomen langs water. De belangrijkste bedreigingen zijn het kappen van populieren- en tamariskenbos langs rivieren, het onttrekken van water waardoor die stroken verdrogen, insecticiden die de grote insecten wegnemen, en aanrijdingen op wegen door boomgaarden. Op de weinige bekende broedplaatsen is verstoring door fotografen en afgespeeld lokgeluid een reëel probleem.




