Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Grote roodstaart
Grote roodstaart | Phoenicurus erythrogastrus
Güldenstädt's redstart | Colirrojo de Güldenstädt
De grootste roodstaart ter wereld en de enige die je op een sneeuwveld verwacht. In ons kaartgebied leeft hij alleen in het hooggebergte van de Kaukasus, boven de tweeduizend meter, tussen morene, blokveld en firn. Het mannetje is een van de opvallendste zangvogels van het Palearctisch gebied: sneeuwwitte kruin, zwart bovenlijf, een enorm wit vleugelvlak en een diep roestrode buik en staart.
Geluid
Terughoudend en, naar de maatstaven van het geslacht, weinig indrukwekkend. De zang is een korte, ijle strofe van twee of drie fluittonen gevolgd door een droog geratel, ongeveer tsie-tsjuu... trrrrt, meestal vanaf een rotsblok of een lage struik en zelden lang volgehouden; in de wind van de hoogte draagt hij nauwelijks. Roep: een zacht tek of tek-tek, vaak voorafgegaan door een dun, opgaand iet. In de winterzwermen in de duindoornstruwelen roepen de vogels voortdurend zacht naar elkaar, en dat gemompel verraadt de groep eerder dan het oog.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Zwaar gebouwd voor een roodstaart, met een grote kop, een stevige snavel en een tamelijk lange staart — in silhouet eerder een kleine lijster dan een roodstaart. Het mannetje heeft een geheel witte kruin en voorhoofd die tot in de nek doorlopen, daaronder een zwart gezicht, zwarte keel en zwarte mantel, en een reusachtig wit vleugelveld dat op de gevouwen vleugel een brede witte wig vormt en in vlucht de halve vleugel vult. Borst, buik, stuit en staart zijn diep oranjeroest, veel dieper van kleur dan bij de andere roodstaarten, met donkere middenstaartveren. Het vrouwtje is egaal vaal grijsbruin, bleker op de onderdelen, zonder tekening op de kop, met dezelfde roestrode stuit en staart; ze is duidelijk groter, forser en zwaarder van snavel dan de vrouwtjes van de andere roodstaarten, en dat formaat is bij haar het beste kenmerk.
Verwarringssoorten
In de Kaukasus is de zwarte roodstaart de echte valstrik, want de daar broedende vorm heeft bij het mannetje géén zwarte maar een oranjeroestige buik, zodat het patroon op afstand sterk lijkt. Het verschil is niettemin groot: de zwarte roodstaart is kleiner en slanker, heeft een gríjze kruin in plaats van een witte, en zijn witte vleugelspiegel is een smalle streep tegenover het brede witte vlak van de grote roodstaart. Bij de gekraagde roodstaart is alleen het voorhoofd wit, in een smalle band, en de vleugel is egaal donker. Vrouwtjes zijn lastiger: let dan op grootte, de zware snavel en de egale, uitdrukkingsloze kop. Bij een roodstaart buiten dit gebied is de vindplaats het beste argument — een grote roodstaart in het laagland is vrijwel altijd iets anders.
Leefgebied
In de zomer kale, rotsige hoogte: morenepuin, blokvelden, steenhellingen en alpenweide vlak bij de sneeuwgrens, in de Kaukasus doorgaans tussen 2.200 en 3.500 meter en in Centraal-Azië tot boven de 5.000. Het nest zit diep in een spleet of onder een blok. In de winter zakt hij de dalen in en concentreert hij zich in struwelen van duindoorn langs rivierbeddingen en puinwaaiers, waar hij zich massaal aan de oranje bessen te goed doet; dat is dan ook de plek waar hij het makkelijkst te vinden is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Hooggebergtevogel van het zuidwestelijke en centrale Palearctisch gebied: de Kaukasus, en verder oostwaarts de Elboers, de Pamir, de Tiensjan, de Altai, de Karakoram, de Himalaya en de bergen van west- en midden-China. Binnen ons kaartgebied is hij dus beperkt tot de Kaukasus en de aangrenzende bergen van Noord-Iran — een echte randbewoner van Europa, van wie het areaal ver Azië in doorloopt. Er is geen trek in de gebruikelijke zin: de vogels dalen in oktober naar de dalen en klimmen in april weer omhoog. Buiten die bergen is hij een uitzonderlijke dwaalgast.
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De omgeving van Stepantsminda in Georgië, aan de voet van de Kazbek, is de klassieke plek. In juni loop je vanaf het dorp omhoog naar de morene en de blokvelden boven de laatste weiden en zoek je naar een grote, contrastrijke roodstaart die op een steen zit en met de staart trilt; de witte kruin licht van ver op tegen de donkere rots. Wie er in maart of november is, kan het onderaan proberen: doorzoek de duindoornstruwelen langs de Terek en de zijrivieren, waar tientallen vogels tegelijk aan de bessen kunnen hangen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Het areaal ligt grotendeels in dunbevolkt hooggebergte, ver van landbouw en bebouwing, en de aantallen lijken stabiel. De kwetsbaarste schakel is niet de broedplaats maar de winter: de duindoornstruwelen in de bergdalen worden op veel plaatsen gekapt voor brandhout of opgeruimd bij rivierwerken, en juist daarvan hangen de overwinterende vogels af. Verder is, zoals bij alle soorten van de sneeuwgrens, het opschuiven van de vegetatiezones bij warmere zomers een zorg voor de lange termijn.




