Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Blauwstaart
Blauwstaart | Tarsiger cyanurus
Red-flanked bluetail | Ruiseñor coliazul
De blauwstaart is een kleine, ronde zanger van de oude, vochtige taiga, met bij alle vogels een staart in een verrassend helder blauw. Vijftig jaar geleden was hij in Europa nog een legendarische zeldzaamheid; inmiddels broeden er honderden paren in Finland en duiken er elk najaar vogels op aan de Noordzeekust.
Geluid
De zang is een korte, weemoedige, dalende fluitstrofe die in de stille sparrentaiga verrassend ver draagt: enkele heldere tonen, aarzelend ingezet en dan snel omlaag rollend, met een weemoedige val aan het eind. Hij wordt eindeloos herhaald vanaf een hoge tak in de kruin van een oude spar, vaak in de schemering en op de lichte nachten van juni ook rond middernacht. De roep is een zacht, opwaarts hwiet met daarachter een hard, laag ratelend tak-tak — het hwiet-tak-tak-patroon is voor veel waarnemers de eerste aanwijzing dat er een blauwstaart in de struiken zit.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein en compact, met een grote kop, een groot donker oog en een rechtopstaande houding waarin de staart voortdurend zacht wordt opgewipt en weer neergelaten. Alle kleden delen twee kenmerken: een blauwe staart en stuit, en een oranje tot roestbruine vlek op de flanken die scherp afsteekt tegen de witte keel en buik. Het adulte mannetje is verder helderblauw op kop, rug en vleugeldekveren, met een lichtblauwe wenkbrauw en schouder. Vrouwtjes en jonge vogels — de vogels die in West-Europa worden gezien — zijn olijfbruin van boven, met alleen de blauwe staart en stuit, een witte keel die scherp tegen de grauwe borst afsteekt, en die oranje flankvlek. Mannetjes doen er drie jaar over om hun volle blauw te krijgen en zingen in de tussentijd in vrouwelijk kleed.
Verwarringssoorten
De combinatie van blauwe staart, witte keel en oranje flankvlek heeft geen tegenhanger in het gebied; het probleem is dat de vogel bijna altijd in dekking zit en dat de blauwe staart bij grauw licht dof grijsblauw oogt. Een roodborst is ronder, oranje op borst én gezicht en heeft een egaal bruine staart. De roodstaarten laten hun roestrode staart onafgebroken trillen; de blauwstaart wipt de zijne rustig op en neer. Bij twijfel is de witte keel tegen de grauwe borst — een scherp begrensd wit vlek — vaak sneller te zien dan de kleur van de staart. Nachtegaal en noordse nachtegaal zijn beduidend groter, langer van staart en missen elk blauw.
Leefgebied
Oude, vochtige naaldbossen en gemengde bossen met veel dood hout, mos, hoge kruiden en een dichte ondergroei van bosbes: het gaat om donkere, ongestoorde sparrenbossen op hellingen en langs beekdalen. Naar het noorden en hogerop gaat de soort over in het berken- en wilgenstruweel bij de boomgrens. In West-Europa duiken najaarsvogels op in duindoornstruweel, kerkhoven, tuinen en kustbosjes — dat is verblijfplaats, geen broedbiotoop.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Noord-Finland en het aangrenzende Rusland oostwaarts door de hele Siberische taiga tot Kamtsjatka, Korea en Japan, en overwintert in Zuidoost-Azië, van de Himalaya tot Zuid-China en Indochina. De Finse bevolking is sinds de jaren negentig sterk gegroeid en wordt nu op enkele honderden paren geschat, met broedgevallen tot in Zweden en Estland — daarmee is de blauwstaart in het kaartgebied een echte, zij het schaarse, broedvogel geworden. Tegelijk neemt het aantal najaarsdwaalgasten in Noordwest-Europa gestaag toe: in Nederland gaat het inmiddels om meerdere gevallen per jaar, vrijwel allemaal in oktober langs de kust.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Voor een broedvogel reis je naar Noordoost-Finland — Kuusamo, Salla, Rovaniemi — in de eerste helft van juni, en dan om drie uur 's nachts, wanneer het licht is en het bos stil. Loop langs oude sparrenbossen met veel dood hout en luister naar de korte, dalende fluitstrofe; het mannetje zingt hoog in de kruin en is vanaf de grond lastig te vinden. Aan de Noordzeekust geldt in oktober de omgekeerde aanpak: zoek laag en dicht, in duindoorn en vlier, en let op het harde tak-tak. Een blauwstaart zit vaak minutenlang stil op een lage tak in de schaduw voordat hij zich verplaatst — geduld levert hier meer op dan lopen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een zeer groot areaal en een toenemende bevolking. De westwaartse uitbreiding tot in Finland en Scandinavië is een van de duidelijkste veranderingen in de Europese avifauna van de laatste decennia. Het knelpunt is de habitat: de soort heeft oud, vochtig, ongekapt naaldbos met dood hout nodig, en juist dat is in Fennoscandinavië schaars geworden. Waar oerbosachtige percelen bewaard blijven, houdt hij stand.


