Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren › Zwartkruintsjagra
Zwartkruintsjagra | Tchagra senegalus
Black-crowned tchagra | Chagra del Senegal
De zwartkruintsjagra brengt een hele familie de gids binnen die verder volledig Afrikaans is: de bosklauwieren. Het is een vogel van dicht, laag struweel die je vrijwel nooit zomaar ziet zitten. Je hóórt hem — een reeks heldere, weemoedige fluittonen uit een ondoordringbare bramenwal — en pas na geduldig wachten schuift hij een paar tellen in het open. Bij Tarifa, aan de Spaanse kant van de Straat van Gibraltar, zit de enige Europese populatie.
Geluid
De zang is een reeks van vier tot acht heldere, weemoedige fluittonen die in toonhoogte omlaag lopen: tjuu-tjuu-tjuu-tjuu, langzaam, zuiver en ver dragend, met de klank van een fluitje. Hij wordt vanuit een struik gegeven, maar ook in een korte baltsvlucht waarin de vogel schuin omhoog fladdert, met de vleugels een droog rrrrt laat ratelen en parachuterend terugzakt — het enige moment waarop hij zichzelf goed laat zien. Bij onraad een hard, schurend tsjèrr en een ratelend gekletter. Het luidst van februari tot mei, vooral in het eerste uur na zonsopgang en opnieuw tegen de avond.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Formaat en houding van een klauwier, maar met een langere staart en een zwaardere snavel: 21 tot 23 centimeter, waarvan een flink deel trapsgewijze staart. De kruin is glanzend zwart en wordt begrensd door een brede roomwitte wenkbrauwstreep met daaronder een zwarte oogstreep, zodat de kop in drie scherpe banen is getekend — op afstand het beste kenmerk. De bovendelen zijn grijsbruin, de gevouwen vleugel draagt een warm roestbruin veld, de onderdelen zijn vuilwit met grijsbeige flanken. De zwarte staart is sterk getrapt en heeft brede witte punten die bij het wegduiken in de struik oplichten. De snavel is zwart, hoog en aan de punt duidelijk gehaakt; de poten zijn blauwgrijs. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels hebben een doffe, bruinzwarte kruin en een vagere kopstreping.
Verwarringssoorten
In het gidsgebied is er geen soort die er werkelijk op lijkt, maar in hetzelfde struweel loopt de rosse waaierstaart, die ook laag en verscholen blijft en ook een lange staart met witte punten wipt. Die is slanker, met een dunne insectensnavel, een roestrode stuit en staart en een rechtopstaande, hippende houding; de tsjagra beweegt zwaar en horizontaal en heeft die dikke, gehaakte snavel. De klauwieren zijn het andere risico, maar dan vooral in de gedachten van de waarnemer: de Iberische klapekster en de roodkopklauwier zitten juist opvallend en open op een draad of struiktop, terwijl een tsjagra zich in de kluwen laat vallen zodra hij zich bekeken weet. Hoor je een reeks zuivere, dalende fluittonen uit dicht struweel in Zuid-Spanje of Marokko, dan is er verder niets waarmee je hem kunt verwarren.
Leefgebied
Dicht, laag en liefst doornig struweel met open grond eronder: bramen en dwergpalm op zonnige hellingen, mastiek en wilde olijf, verwilderde perceelranden, cactushagen om akkers, en de begroeide randen van beken en wadi's met tamarisk en oleander. Het is nadrukkelijk een struweelvogel en geen bosvogel: hij mijdt gesloten bos en al even goed de kale vlakte. Foerageren gebeurt vooral lopend op de grond onder de struiken, waar hij grote insecten, hagedisjes en slakken pakt; het nest staat laag en diep in een doornstruik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied van deze gids twee gescheiden delen. Het grootste ligt in Noordwest-Afrika: Marokko van de Atlantische kustvlakten en de Souss tot in de lagere hellingen van de Atlas, en oostwaarts door Noord-Algerije tot in Tunesië. Het tweede is een klein bolwerk in de Spaanse provincie Cádiz, in de heuvels rond Tarifa, Bolonia en Facinas, waar de soort sinds het midden van de vorige eeuw als broedvogel bekendstaat en waar het om enkele tientallen paren gaat — de enige plek in Europa. Daarbuiten is het een wijdverbreide Afrikaanse vogel, van de Sahel tot Zuid-Afrika. Hij trekt niet en verlaat zijn territorium het hele jaar niet.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zuid-Spanje, maart tot mei, het eerste uur licht: rijd de weg van Tarifa naar Bolonia of de hellingen bij Facinas, zet de motor af en luister. Loop niet het struweel in — dat werkt averechts — maar wacht op de zang en volg die tot je de struik hebt; met wat geluk komt de vogel in zijn baltsvluchtje boven de kluwen uit. In Marokko is hij veel gemakkelijker: elke overgroeide wadi-rand in de Souss levert er wel een. Gebruik geen geluidsopnamen om hem te lokken; de Spaanse populatie is klein en de vogels reageren er sterk op.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een enorm Afrikaans areaal en geen aanwijsbare afname. Het Europese randje van dat areaal is een ander verhaal: de paar tientallen paren in Cádiz zijn wettelijk beschermd en gevoelig voor het opruimen en branden van struweel, voor de aanleg van windparken op juist die heuvels en voor verstoring door vogelaars die te dicht bij de zangposten komen. In Marokko en Algerije is de soort algemeen en lijkt hij goed te gedijen in het halfopen cultuurland met hagen en heggen.



