Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Algerijnse boomklever
Algerijnse boomklever | Sitta ledanti
Algerian nuthatch | Trepador de Kabilia
Een kleine, dofgekleurde boomklever die pas in 1975 werd gevonden, op één berg in Klein-Kabylië, en die tot op de dag van vandaag uit vier bosgebieden bekend is en verder nergens ter wereld. Het is de laatste soort die in het Middellandse Zeegebied nieuw voor de wetenschap werd beschreven, en meteen een van de zwaarst bedreigde vogels van het hele kaartgebied. Wie hem wil zien moet naar het noordoosten van Algerije en de heuvel op — en wie zich afvraagt waarom een gids ruimte inruimt voor een vogel die bijna niemand ooit ziet: omdat er ongeveer duizend van zijn.
Geluid
Nasaal en herhalend, en in een stil bergbos ver dragend. De gewone roep is een reeks korte, wat blikkerige tonen, wit-wit-wit, die bij opwinding sneller en scherper wordt. Daarnaast klinkt een gerekt, klaaglijk en duidelijk nasaal tsjèèh, dat het meest karakteristieke geluid van de soort is en op afstand aan een kleine roofvogel doet denken. De zang is een snelle reeks van vijf tot een stuk of tien gelijkvormige nasale tonen op ongeveer dezelfde toonhoogte, die enigszins trillend of rollend klinkt en meestal vanaf een hoge tak wordt gebracht, van maart tot in mei. Als u in het Guerrouchbos staat, is het geluid vrijwel altijd het eerste teken: de vogel foerageert stil en hoog, en verraadt zich pas als hij roept.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein en gedrongen, kortstaartig en met een grote kop, in vorm precies een boomklever maar een slag kleiner en met een kortere, fijnere snavel. De bovendelen zijn dof blauwgrijs, wat matter dan bij de boomklever; kin, keel en wangen zijn vuilwit, en de rest van de onderdelen loopt van vaalbeige op de borst tot warmer kaneelbeige op buik en flanken, zonder de roestrode kleur die de boomklever daar heeft. Het mannetje heeft een zwart voorhoofd en een zwarte kruin, daaronder een smalle zwarte oogstreep, en daartussen een witte wenkbrauwstreep die tot achter het oog reikt. Bij het vrouwtje is de kruin grijs als de rug, met hooguit een donkere waas aan de voorkant, en is de oogstreep grijzig en veel vager, zodat de kop bijna effen oogt; de wenkbrauwstreep blijft wel zichtbaar. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn nog doffer en hebben een kortere snavel. Het gedrag is dat van elke boomklever: hij loopt met de kop naar beneden een stam af, klimt zonder steun van de staart en hakt noten en zaden vast in een spleet in de bast.
Verwarringssoorten
Binnen zijn eigen bossen is er geen tweede klever: de boomklever bereikt Noordoost-Algerije niet, en verwarring met een verwant is er dus niet mogelijk. De boomkruiper deelt wel het bos en werkt over dezelfde stammen, maar altijd omhoog en steunend op een stijve, spitse staart, is bruin gevlekt in plaats van blauwgrijs en heeft een dun gebogen snaveltje; een vogel die kopover een stam afdaalt is nooit een boomkruiper. Zwarte mees en kuifmees zitten in hetzelfde bos en zijn even klein, maar hebben een kort, dik snaveltje, klimmen niet tegen bast op en hangen aan de takuiteinden. Voor wie de andere kleine kleverachtigen kent: de Corsicaanse boomklever heeft een vergelijkbare koptekening maar witter en kouder gekleurde onderdelen en een breder, scherper afgetekend wit boven het oog, en zit tweeduizend kilometer verderop; de Turkse boomklever draagt een grote roestrode borstvlek die deze soort volledig mist.
Leefgebied
Bergbos in Klein-Kabylië, tussen ongeveer driehonderdvijftig en tweeduizend meter, met per bos een heel ander bostype. Op de Babor, de berg waar de soort werd gevonden, gaat het om oud gemengd bos van de Numidische zilverspar en de Atlasceder met steeneik en Algerijnse eik ertussen, op de hoogste hellingen boven de achttienhonderd meter. In Guerrouch, Tamentout en Djimla is het beeld anders en veel lager: gesloten loofbos van de Kabylische eik en de Algerijnse eik, met wat kurkeik, els en esdoorn erbij, in vochtige noordhellingen en ravijnen. Wat al die bossen delen is de ouderdom van de bomen. Het nest zit in een holte in een oude, aangetaste of dode stam, soms zelf uitgehakt in rot hout, soms een overgenomen spechtengat; zonder oude bomen met rothout is er geen nestplaats, en daarmee is het lot van de soort aan het behoud van oud bos gekoppeld. Buiten de broedtijd zwerven de vogels binnen hetzelfde bos rond, vaak in gemengde groepjes met mezen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Vier bosgebieden in Klein-Kabylië, in het noordoosten van Algerije, en verder niets ter wereld. Het eerste is het bos op de Djebel Babor, waar Jean-Paul Ledant de soort in oktober 1975 aantrof en waar hij het jaar daarop naar hem werd genoemd; dat is tegelijk het kleinste bolwerk, met slechts een handvol paren op een paar honderd hectare zilversparbos. Het tweede en verreweg het grootste is Guerrouch, in het nationale park Taza bij Jijel, waar het merendeel van de wereldpopulatie zit. Daarnaast zijn er de bossen van Tamentout en Djimla, alle drie in dezelfde bergrug ten oosten en westen daarvan. Samen beslaan die vier plekken een gebied dat op de kaart van dit boek nauwelijks een stip is. De totale wereldpopulatie wordt op ongeveer duizend volwassen vogels geschat. De soort trekt niet en is buiten Algerije nooit vastgesteld.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Dit is een reisdoel en geen dagje uit. Het toegankelijkst is het nationale park Taza bij Jijel, waar het Guerrouchbos vanaf de kustweg te bereiken is en waar de kans op de soort in april en mei het grootst is; op de Babor is de weg slecht en de populatie zo klein dat een bezoek zelden loont en de vogels er ook niet mee gediend zijn. Loop een oude, gesloten eikenhelling in en zet de motor af; luister eerst naar het nasale tsjèèh en het herhaalde wit-wit en zoek pas daarna. De vogels blijven meestal in de bovenste helft van de kroon en komen zelden laag, dus kies een plek met uitzicht op de bovenkant van het bos — een steile helling van onderaf werkt beter dan een pad door het bos. De vroege ochtend is de beste tijd. Regel het bezoek via een plaatselijke gids of de parkdienst; het is grensgebied van wegen en vergunningen, en met begeleiding gaat het eenvoudiger.
Staat van instandhouding
Bedreigd op de Rode Lijst, en dat is niet overdreven. De hele soort telt naar schatting ongeveer duizend volwassen vogels, verdeeld over vier bossen die geen van alle met elkaar in verbinding staan; uitwisseling tussen de deelpopulaties is er nauwelijks, zodat verlies op één plek niet vanzelf van elders wordt aangevuld. De kleinste van de vier is meteen de beroemdste: op de Djebel Babor, waar de soort in 1975 werd gevonden, zijn nog maar een handvol paren over. Dat zilversparbos is de laatste eeuw gekrompen door houtkap, door begrazing met vee en geiten die de verjonging wegneemt, en door het uitblijven van jonge sparren onder de oude; wat er staat, veroudert zonder opvolging. De zwaarste en snelste bedreiging is echter brand. De bossen van Kabylië branden bijna elke zomer, en de reeks branden van 2020, 2021 en 2022 raakte grote oppervlakten in precies deze streek; een brand vernietigt in één middag het oude, holtenrijke bos dat de soort nodig heeft en dat pas na een eeuw terugkomt. Daar komt de kap van dode en aangetaste bomen bij, die de nestbomen wegneemt, en op langere termijn de verdroging van de Noord-Afrikaanse bergbossen. Er is bescherming op papier — Guerrouch ligt in het nationale park Taza, de Babor is reservaat — maar de handhaving is beperkt en het aantal onafhankelijke tellingen klein. Een soort van deze omvang overleeft geen tweede slechte tien jaar.


