Alle soortenZangvogelsBoomklevers › Corsicaanse boomklever

Corsicaanse boomklever | Sitta whiteheadi

Corsican nuthatch | Trepador corso

De enige vogelsoort ter wereld die uitsluitend op Corsica voorkomt, en de kleinste boomklever van Europa. Hij houdt zich op in de bergbossen van de Corsicaanse den, waar hij hoog in de kronen tussen de naalden werkt en zich verraadt met een zacht fluitend poe. Zijn hele wereld beslaat een kleine tweehonderd vierkante kilometer, en die wereld brandt te vaak.

Corsicaanse boomklever (Sitta whiteheadi)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een licht, fluitend poe, meestal in korte reeksen herhaald, is het gewone contactgeluid en verreweg het gemakkelijkst te leren. Opgewonden vogels laten rauwe, gerekte tonen horen die aan een spreeuw doen denken. De zang is helder, klinkend en snel, een rollende reeks die in de bergen wel met het gejoel van alpengierzwaluwen wordt vergeleken. In een stil laricio-bos draagt de roep ver; het is bijna altijd het geluid dat de vogel verraadt, niet het beeld.

Luister: ZangXC913474

Opname: Tanguy Loïs — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Klein, bol en zeer kortstaartig — merkbaar kleiner dan de boomklever en met een fijnere, kortere snavel. Bovendelen blauwgrijs, onderdelen grijswit met een beige waas op flanken en buik, keel en wangen witter. Het mannetje heeft een zwart voorhoofd en een zwarte kruin en daaronder een zwarte oogstreep, gescheiden door een brede, scherp afgetekende witte wenkbrauwstreep die tot ver achter het oog doorloopt; die drie evenwijdige banen maken de kop opvallend getekend. Bij het vrouwtje zijn kruin en wenkbrauwstreep grijs als de rug, zodat de kop veel vlakker oogt, al blijft de donkere oogstreep zichtbaar. De buitenste staartpennen zijn zwart met witte vlekken en grijze punten. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Verwarring met andere kleverachtigen is op Corsica uitgesloten: er is geen tweede soort. De boomklever ontbreekt op het eiland volledig. De kortsnavelboomkruiper klimt in dezelfde dennenbossen, maar altijd omhoog en met steun van een stijve, puntige staart, is bruin gevlekt in plaats van blauwgrijs en heeft een fijn gebogen snaveltje; wie een vogel met de kop omlaag ziet lopen, hoeft niet verder te kijken. Zwarte mees en kuifmees delen het bos en het formaat, maar hebben een korte, dikke snavel en klimmen niet tegen stammen. De Turkse boomklever heeft dezelfde koptekening, maar draagt een grote roestrode borstvlek en zit tweeduizend kilometer verderop.

Leefgebied

Bergbos van de Corsicaanse den, tussen ongeveer duizend en vijftienhonderd meter in het broedseizoen, met uitlopers van zevenhonderdvijftig tot achttienhonderd meter en een lichte afdaling in de winter. Waar de laricioden overgaat in beuk of zeeden gaat hij mee, maar de kern van het leefgebied is en blijft het oude dennenbos. Een paar verdedigt drie tot tien hectare. Het nest zit in een holte die beide vogels zelf uithakken in een dode of aangetaste den van twee tot drie eeuwen oud, tussen twee en dertig meter hoog; ook oude spechtengaten worden overgenomen. Het legsel telt vier tot zes eieren. Zonder oude, staande dode dennen is er geen nestplaats, en dat maakt het opruimen van dood hout hier zwaarder wegen dan waar ook.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Alleen Corsica, van het bos van Tartagine-Melaja in het noorden tot dat van l'Ospedale in het zuiden, met de grootste aantallen op de massieven van Monte Cinto, Monte Rotondo, Monte Renoso en Monte Incudine. Daarnaast twee losse populaties, in de Castagniccia en in het bos van Cagna. Het totale verspreidingsgebied besloeg in 2011 ongeveer honderdvijfentachtig vierkante kilometer, en het bestand werd rond 2013 geschat op drieduizend honderd tot vierduizend vierhonderd volwassen vogels. De soort verlaat het eiland niet; buiten Corsica is nooit een wilde vogel vastgesteld.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in april, mei of juni naar de Col de Sorba, het woud van Vizzavona, het Aitonebos of Valdu-Niellu, parkeer bij een stuk oud laricio-bos en zet de motor af. Luister naar het zachte, herhaalde poe hoog boven je. Zoek daarna met de kijker de bovenste takken af: de vogels blijven meestal in de kronen en komen zelden laag. Een dode, kale den midden in het bos is de beste plek om te wachten. Vroeg op de ochtend is het gemakkelijkst; midden op een hete dag zijn de bossen stil.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar op de Rode Lijst, en dat sinds 2010. Het areaal is klein en versnipperd, en de aantallen lopen langzaam terug — rond 2011 werd over tien jaar een daling van ongeveer een tiende vastgesteld. Bosbrand is de zwaarste bedreiging: na de branden van de zomer van 2000 werd ongeveer vier procent van de populatie geraakt, en na de branden van augustus 2003 werd de lente daarop in het getroffen gebied ruim een derde minder vogels geteld. Daar komt bij dat na een brand vaak zeeden of steeneik terugkomt in plaats van laricioden, en dat het kappen van dode dennen precies de nestbomen wegneemt. De Corsicaanse den groeit langzaam; wat verdwijnt, is niet in één mensenleven terug.