Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Rotsklever
Rotsklever | Sitta neumayer
Western rock nuthatch | Trepador rupestre
De boomklever die geen bomen gebruikt. De rotsklever leeft op kaal kalksteen — kloofwanden, rotshellingen, puinvelden, oude muren en ruïnes van Dalmatië tot Iran — en loopt daar over verticaal gesteente zoals zijn verwanten over bast lopen. Zijn stem is een van de luidste geluiden van een Griekse kloof, en het metselwerk waarin hij broedt is met niets te verwarren.
Geluid
Uitzonderlijk luid voor zo'n kleine vogel; in een kloof kaatst het geluid tussen de wanden. De roep is een scherp, hard tsjik, dat bij opwinding in snelle series wordt afgevuurd. De zang is een helder, doordringend en versnellend trillertje, twie-twie-twie-twie, dat aan het eind bijna in een ratel overgaat en over honderden meters te horen is. Vaak hoor je de vogel al aan de rand van een kloof lang voordat je hem op de wand hebt gevonden.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groter en forser dan de boomklever, met een langere, zwaardere snavel en een opvallend grote kop; hij oogt daardoor topzwaar. Bovendelen effen blauwgrijs, gezicht en keel wit, onderdelen bleek beige die naar de buik en de onderstaart iets warmer wordt maar nooit het roestoranje van de boomklever bereikt. De zwarte oogstreep is lang en zwaar, achter het oog het breedst, en vervaagt in de zijhals. In de staart zit géén wit — een handig negatief kenmerk. Man en vrouw zien er hetzelfde uit; jonge vogels zijn wat doffer en hebben een kortere snavel. Poten en tenen zijn zwaar en grijs. Alles aan de vogel is bleker en grover dan bij de soorten van het bos.
Verwarringssoorten
De boomklever is kleiner, heeft roestbeige onderdelen, witte vlekken in de staart en zit in bomen; overlap is er alleen waar bos en rots elkaar raken en dan beslist het gedrag. De oostelijke rotsklever, van Oost-Turkije, de Kaukasus en Iran, is nog groter, heeft een nóg bredere oogstreep die tot op de mantel doorloopt en een witter gezicht; in het overlapgebied is een goed zicht op snavellengte en de breedte van de oogstreep nodig. De rotskruiper leeft ook op wanden, maar is grijs met karmijnrode vleugelvelden, heeft een lange gebogen snavel en fladdert als een vlinder. Boomkruipers komen in dit landschap niet voor.
Leefgebied
Kale rots in warm, open land: kalksteenkloven, rotswanden, blokkenvelden, puinhellingen en verweerde plateaus, en verder oude muren, ruïnes, bruggenhoofden en groeven. Tussen de rotsen groeit meestal garrigue of phrygana, en daar foerageert hij ook, springend over stenen en tussen kruiden. Van zeeniveau tot ruim tweeduizend meter; bergvogels zakken in de winter af. Het nest is het handelsmerk: een fles- of kruikvormig bouwsel van modder, mest en haar of veren, tegen een wand gemetseld of in een spleet of overhangende holte, met een korte tunnel als ingang. Er wordt weken aan gebouwd, en in de spleten rondom worden veertjes, insectenvleugels en slakkenhuisjes gestoken. Een nest wordt jaren achtereen gebruikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Kroatië en Montenegro door Albanië, Noord-Macedonië, Bulgarije en heel Griekenland, inclusief veel eilanden, en verder door Turkije, Syrië, Libanon en Noord-Irak tot in de Kaukasus en de Zagros van west-Iran. Alleen de meest oostelijke uitlopers van dat areaal liggen buiten het kaartgebied van deze gids. Overal standvogel; alleen de hoogste broedplaatsen worden in de winter verlaten. In geschikt landschap is hij talrijk, en in Griekenland hoort hij bij het vaste repertoire van elke kloof.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga bij zonsopgang naar een kalksteenkloof — Meteora, de Vikoskloof, de rotsen boven Delphi, de wanden bij Kalloni op Lesbos — en luister eerst naar het versnellende trillertje. Zoek de vogel daarna met de kijker op de wand: hij beweegt schokkerig en horizontaal, vaak ondersteboven onder een overhang. Speur ook de schaduwkanten van overhangende rotsen af naar een grijsbruine modderklomp ter grootte van een vuist met een rond gat erin; dat is het nest, en de vogel is dan nooit ver.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een groot areaal en in geschikt landschap hoge dichtheden. De soort profiteert eerder van menselijke bouwsels dan dat ze eronder lijdt: ruïnes, terrasmuren en oude bruggen leveren extra nestplaatsen. Lokale problemen zijn er wel, vooral het uitbreken van steengroeven in kloofwanden en het dichtgroeien van open rotshellingen na het wegvallen van begrazing. Klimplannen en klimroutes op drukbezochte wanden kunnen broedplaatsen verstoren.




